Betovergrootoom

“Betovergrootoom”
Nelle Boer
Ergens in de verte en dan nog een stukje verder, daar woont mijn betovergrootoom. Onder een strobedekt dak en naast een pomp het onderaardse water in. Bij een haard dat met een vroeger leven opgestookt  wordt, het rookt en hoog in de lucht worden de pluimen de wolken.
De foto’s uit de tijd van de voorouders kennen geen kleur, alsof iemand de waarheid opzettelijk heeft willen verdraaien, maar die gekiekte gezichten vertellen genoeg: “Hier wordt door ons over slechts weinig  gepraat, over een enkel ding zelfs maar, omdat wij gelukkig een heleboel nog niet bedacht hebben.”.
Betovergrootoom moet het grote huis uit en naar het kleinere in de tuin om ter toilet te gaan, toen werden die dingen nog gescheiden van elkaar. Er worden in het grote huis maaltijden bereidt  en die geur mag zich niet vermengen met die van uitwerpselen.
Als mijn betovergrootoom iets zegt, zegt mijn betovergroottante ‘ja’, niet slaafs, maar kordaat. Samen graven zij met roestige handen rond in de akker en bewateren zij het gewas, beoordelen gelijktijdig de hemel, werpen de balen behendig van de vliering en vangen ze behendig op.
Onbereikbaar ver weg woont mijn betovergrootoom, broer van mijn betovergrootmoeder. Zij stonden op de markt als kinderen van een koopman, toen daar nog slaven geveild werden, stuk  voor zwart stuk niet meer dan een florijn elk. Vroeger en prachtiger tijden, ook de periode generaties voorouders erna die gruwelijk saai moet zijn geweest als we de tweede wereldoorlog niet hadden gehad. Maar terug naar een verder verleden nu, want mooi moet het zijn om je heen te blikken en niets dan bossen takken te zien, op de takken het mos en op het mos niets meer dan dauw. Niet om de glinstering op de druppel, of het mos, niet de takken waar het op ligt en de bossen waar die takken  uit bestaan, maar om het gebrek aan ingewikkeldheid en de behoefte het zo te laten.
Zonder nu, nu blikken wij om ons heen en zien alleen maar glinsteringen, omdat de dingen worden weggegooid voordat zij dof worden. Hier beleven wij de gevolgen van oorzaken die liggen in een ver verleden, waar geen mens ooit  komt en dat niemand meer kent. Behalve mijn betovergrootoom, die de balen versnippert in de hoeken van de stal, opdat daar nieuw leven op geboren kan worden.
Bedrieglijk zijn de platen uit die tijd, de tijd dat mijn betovergrootoom gefotografeerd werd, hij kijkt niet eens in de lens, hij kijkt naar iets rechtsboven achter ons, tijdens de poging van een weerbarstige haarpluk de lucht in te springen, zijn hart overbelicht.
Als ik geen voeten had, hoefden ze mij nooit ergens heen te dragen, maar ik heb ze nu eenmaal en zij willen mij daar heen brengen, die pompschacht in om naar beneden te roetsjen. Om de bron ervan te ontdekken, daar waar het onder de – door eeuwenoude algen verzachte – brokken rots borrelt, om daar mijn betovergrootoom van te vertellen, opdat hij mij een mooi verhaal toevertrouwt over een verre voorouder die ooit hetzelfde poogde.
Diep in dat woud, waar wolken naar beneden waaien, de schoorsteen in, woont mijn betovergrootoom en even ben ik een van de asflinters die op de bodem van de haard neerdaalt. Vanuit die positie blik ik om mij heen en zie niets dan warme gezichten, op de gezichten een gloed en in de gloed de  troost dat dit oude vuur brengt.
gras
Door Nelle Boer
Ergens in de verte en dan nog een stukje verder, daar woont mijn betovergrootoom. Onder een strobedekt dak en naast een pomp het onderaardse water in. Bij een haard dat met een vroeger leven opgestookt  wordt, het rookt en hoog in de lucht worden de pluimen de wolken.
De foto’s uit de tijd van de voorouders kennen geen kleur, alsof iemand de waarheid opzettelijk heeft willen verdraaien, maar die gekiekte gezichten vertellen genoeg: “Hier wordt door ons over slechts weinig  gepraat, over een enkel ding zelfs maar, omdat wij gelukkig een heleboel nog niet bedacht hebben.”.
Betovergrootoom moet het grote huis uit en naar het kleinere in de tuin om ter toilet te gaan, toen werden die dingen nog gescheiden van elkaar. Er worden in het grote huis maaltijden bereidt  en die geur mag zich niet vermengen met die van uitwerpselen.
Als mijn betovergrootoom iets zegt, zegt mijn betovergroottante ‘ja’, niet slaafs, maar kordaat. Samen graven zij met roestige handen rond in de akker en bewateren zij het gewas, beoordelen gelijktijdig de hemel, werpen de balen behendig van de vliering en vangen ze behendig op.
Onbereikbaar ver weg woont mijn betovergrootoom, broer van mijn betovergrootmoeder. Zij stonden op de markt als kinderen van een koopman, toen daar nog slaven geveild werden, stuk  voor zwart stuk niet meer dan een florijn elk. Vroeger en prachtiger tijden, ook de periode generaties voorouders erna die gruwelijk saai moet zijn geweest als we de tweede wereldoorlog niet hadden gehad. Maar terug naar een verder verleden nu, want mooi moet het zijn om je heen te blikken en niets dan bossen takken te zien, op de takken het mos en op het mos niets meer dan dauw. Niet om de glinstering op de druppel, of het mos, niet de takken waar het op ligt en de bossen waar die takken  uit bestaan, maar om het gebrek aan ingewikkeldheid en de behoefte het zo te laten.
Zonder nu, nu blikken wij om ons heen en zien alleen maar glinsteringen, omdat de dingen worden weggegooid voordat zij dof worden. Hier beleven wij de gevolgen van oorzaken die liggen in een ver verleden, waar geen mens ooit  komt en dat niemand meer kent. Behalve mijn betovergrootoom, die de balen versnippert in de hoeken van de stal, opdat daar nieuw leven op geboren kan worden.
Bedrieglijk zijn de platen uit die tijd, de tijd dat mijn betovergrootoom gefotografeerd werd, hij kijkt niet eens in de lens, hij kijkt naar iets rechtsboven achter ons, tijdens de poging van een weerbarstige haarpluk de lucht in te springen, zijn hart overbelicht.
Als ik geen voeten had, hoefden ze mij nooit ergens heen te dragen, maar ik heb ze nu eenmaal en zij willen mij daar heen brengen, die pompschacht in om naar beneden te roetsjen. Om de bron ervan te ontdekken, daar waar het onder de – door eeuwenoude algen verzachte – brokken rots borrelt, om daar mijn betovergrootoom van te vertellen, opdat hij mij een mooi verhaal toevertrouwt over een verre voorouder die ooit hetzelfde poogde.
Diep in dat woud, waar wolken naar beneden waaien, de schoorsteen in, woont mijn betovergrootoom en even ben ik een van de asflinters die op de bodem van de haard neerdaalt. Vanuit die positie blik ik om mij heen en zie niets dan warme gezichten, op de gezichten een gloed en in de gloed de  troost dat dit oude vuur brengt.

Biografie Nelle Boer

Nelle Boer

Nelle Boer

Nelle Boer is geboren op 14 maart 1982 in Zwolle, Overijssel.

In 2006 studeerde Nelle Boer af aan ArtEZ, Academie voor Beeldende Kunsten te Zwolle als Autonoom Beeldend Kunstenaar. Sindsdien werkt hij als professioneel kunstenaar en heeft een bijbaan als thuiszorgmedewerker.
De gedichten die Nelle Boer rond zijn zestiende schreef bleken voor hem op een gegeven moment korte verhalen te zijn die veel breder uitgewerkt konden worden, hij breidde gedichten uit tot korte verhalen, korte verhalen tot langere verhalen en uiteindelijk ontstond een boek, dat op dit moment in een ver stadium van uitgave is.
Voorliefde voor taal heeft Nelle Boer al sinds hij zich kan herinneren en het schrijven van welgeformuleerde zinnen doet hem altijd goed.

One Reply to “Betovergrootoom”

  1. Dyslectisch las ik betover-grootoom.
    Aan het eind van het verhaal gekomen las ik opnieuw betover-grootoom.
    Wonderlijk.

Comments are closed.