De dag in het rode grottenmeer

De dag in het rode grottenmeer
Nelle Boer
De dag waarop het begon startte met een dwingende beweging richting een onwaarschijnlijk fel licht, een licht met een onverbiddelijkheid zoals men maar een enkele keer ziet, ik kon er eerlijk gezegd maar slecht mee overweg. Dat priemend wit deed mijn ogen zeer en het duurde lang voordat ze konden wennen, laat staan daadwerkelijk waarnemen. Toch had ik liever gehad dat ik ze in het geheel niet had geopend, want wat ze zagen was van zulk een  gruwelijkheid, dat ik het met moeite vertel.
Ik merkte dat ik ingesloten lag en nauwelijks ademhalen kon, ingesloten door lauwwarm vlees. Ik kon mijn hoofd nog net er boven uit steken en zien hoe ik in een grottenmeer vol lichaamsdelen lag, ledematen tot aan de oever die enkele kilometers van mij verwijderd lag. Het lauwe vlees was menselijk, er kleefde geronnen bloed aan, van een soort bruin met een rode gloed. Geen gezicht, ja, er lagen wel ogen, oren, neus en mond rondom verspreidt, maar kriskras door elkaar en zonder duidelijke samenhang. Aan het uiteinde van benen zaten handen, handen hadden tenen en er was nog veel meer van dat soort narigheid.
Natuurlijk vroeg ik me af hoe ik hier in vredesnaam terecht was gekomen, maar als ik dacht aan het verleden, aan het moment dat hieraan vooraf ging, dan was dat slechts onbeduidend en bleek. Het enige wat ik nog kon herinneren was een bepaald geluid waarop ik werd voortgestuwd, een borrelend ruisen en als ik daar aan dacht werd ik weer een beetje kalm. Ik probeerde me daar dan ook maar zoveel mogelijk op te concentreren, want de paniek die ik kende was groot.
Zoals ik al vertelde oogden de lichaamsdelen menselijk, maar weet ik nog steeds niet met zekerheid of ik ze zo kan noemen, de herkenbaarheid was zo gering. Op een gegeven moment kon ik met moeite mijn arm uit het grottenmeer lostrekken en zag tot mijn grote geluk dat het een naar behoren functionerend ledemaat was, ik kneep mijn vingers samen, balde een vuist, herhaalde dit een aantal keer en slaakte een diepe zucht. Mijn andere arm zat te stevig vast en dus kneep ik met die hand in wat ik daar beneden ook maar kon pakken. Het voelde warmer dan hier aan het oppervlak van het meer en zelfs meer plakkerig. Als laatste bewoog ik mijn benen en merkte dat die stevig aan mijn heupen vast zaten, zoals ze behoren te zitten (nog een diepe zucht).
Zo halverwege de middag kreeg ik behoorlijk grote honger ondanks de hele misselijkmakende situatie, de stank die in de grot hing was verschrikkelijk en gecombineerd met de aanblik zorgde het er voor dat ik bijna voortdurend kokhalzen moest. Niets kwam mijn slokdarm uit, mijn maag was leeg want ik had nog niets gegeten die dag. Ik zag in de verste omtrekken niets eetbaars en als ik al iets had ontdekt, dan nog zat ik vanaf mijn middel onwrikbaar vast in het grottenmeer vol mensenvlees en kon ik het niets bereiken.
Tegen de avond zag ik enkele meters van mij vandaan een hoofd dat ik herkende, het zag er ongelukkig uit en vormeloos, toch dacht ik het te kennen. Ik probeerde uit alle macht er dichterbij te komen, maar mijn lichaam kon zich niet uit het meer onttrekken. En terwijl ik sloeg en trapte leek het hoofd zich af te wenden en langzaam van mij weg te bewegen over het rode oppervlak van het grottenmeer. Ik riep er tegen, ik riep iets in de trant van: “Valsheid is het, dit is vals”, maar het sprak niet terug. Oh ja, ik riep ook nog: “Als je weg gaat, krijg ik de schuld, kom eens hier!” Ik stikte bijna, van verdriet, van woede en van de stank, niets bracht het hoofd terug, ik zag het verderop in het  plakkerige vocht onderdompelen. Toen werd het nacht, het meer bewoog en stroomde langzaam leeg uit een gat in de grotwand. Het bloed, de korsten en de vleesresten voeren mee op die stroming, ook ik zeilde mee naar buiten toe.
rood
Door Nelle Boer
De dag waarop het begon startte met een dwingende beweging richting een onwaarschijnlijk fel licht, een licht met een onverbiddelijkheid zoals men maar een enkele keer ziet, ik kon er eerlijk gezegd maar slecht mee overweg. Dat priemend wit deed mijn ogen zeer en het duurde lang voordat ze konden wennen, laat staan daadwerkelijk waarnemen. Toch had ik liever gehad dat ik ze in het geheel niet had geopend, want wat ze zagen was van zulk een  gruwelijkheid, dat ik het met moeite vertel.
Ik merkte dat ik ingesloten lag en nauwelijks ademhalen kon, ingesloten door lauwwarm vlees. Ik kon mijn hoofd nog net er boven uit steken en zien hoe ik in een grottenmeer vol lichaamsdelen lag, ledematen tot aan de oever die enkele kilometers van mij verwijderd lag. Het lauwe vlees was menselijk, er kleefde geronnen bloed aan, van een soort bruin met een rode gloed. Geen gezicht, ja, er lagen wel ogen, oren, neus en mond rondom verspreid, maar kriskras door elkaar en zonder duidelijke samenhang. Aan het uiteinde van benen zaten handen, handen hadden tenen en er was nog veel meer van dat soort narigheid.
Natuurlijk vroeg ik me af hoe ik hier in vredesnaam terecht was gekomen, maar als ik dacht aan het verleden, aan het moment dat hieraan vooraf ging, dan was dat slechts onbeduidend en bleek. Het enige dat ik nog kon herinneren was een bepaald geluid waarop ik werd voortgestuwd, een borrelend ruisen en als ik daar aan dacht werd ik weer een beetje kalm. Ik probeerde me daar dan ook maar zoveel mogelijk op te concentreren, want de paniek die ik kende was groot.
Zoals ik al vertelde oogden de lichaamsdelen menselijk, maar weet ik nog steeds niet met zekerheid of ik ze zo kan noemen, de herkenbaarheid was zo gering. Op een gegeven moment kon ik met moeite mijn arm uit het grottenmeer lostrekken en zag tot mijn grote geluk dat het een naar behoren functionerend ledemaat was, ik kneep mijn vingers samen, balde een vuist, herhaalde dit een aantal keer en slaakte een diepe zucht. Mijn andere arm zat te stevig vast en dus kneep ik met die hand in wat ik daar beneden ook maar kon pakken. Het voelde warmer dan hier aan het oppervlak van het meer en zelfs meer plakkerig. Als laatste bewoog ik mijn benen en merkte dat die stevig aan mijn heupen vast zaten, zoals ze behoren te zitten (nog een diepe zucht).
Zo halverwege de middag kreeg ik behoorlijk grote honger ondanks de hele misselijkmakende situatie, de stank die in de grot hing was verschrikkelijk en gecombineerd met de aanblik zorgde het er voor dat ik bijna voortdurend kokhalzen moest. Niets kwam mijn slokdarm uit, mijn maag was leeg want ik had nog niets gegeten die dag. Ik zag in de verste omtrekken niets eetbaars en als ik al iets had ontdekt, dan nog zat ik vanaf mijn middel onwrikbaar vast in het grottenmeer vol mensenvlees en kon ik het niet bereiken.
Tegen de avond zag ik enkele meters van mij vandaan een hoofd dat ik herkende, het zag er ongelukkig uit en vormeloos, toch dacht ik het te kennen. Ik probeerde uit alle macht er dichterbij te komen, maar mijn lichaam kon zich niet uit het meer onttrekken. En terwijl ik sloeg en trapte leek het hoofd zich af te wenden en langzaam van mij weg te bewegen over het rode oppervlak van het grottenmeer. Ik riep er tegen, ik riep iets in de trant van: “Valsheid is het, dit is vals”, maar het sprak niet terug. Oh ja, ik riep ook nog: “Als je weg gaat, krijg ik de schuld, kom eens hier!” Ik stikte bijna, van verdriet, van woede en van de stank, niets bracht het hoofd terug, ik zag het verderop in het  plakkerige vocht onderdompelen. Toen werd het nacht, het meer bewoog en stroomde langzaam leeg uit een gat in de grotwand. Het bloed, de korsten en de vleesresten voeren mee op die stroming, ook ik zeilde mee naar buiten toe.
‘De dag in het rode grottenmeer’ is een fragment uit Nelle Boer’s eerste roman.

Biografie Nelle Boer

Nelle Boer

Nelle Boer

Nelle Boer is geboren op 14 maart 1982 in Zwolle, Overijssel.

In 2006 studeerde Nelle Boer af aan ArtEZ, Academie voor Beeldende Kunsten te Zwolle als Autonoom Beeldend Kunstenaar. Sindsdien werkt hij als professioneel kunstenaar en heeft een bijbaan als thuiszorgmedewerker.
De gedichten die Nelle Boer rond zijn zestiende schreef bleken voor hem op een gegeven moment korte verhalen te zijn die veel breder uitgewerkt konden worden, hij breidde gedichten uit tot korte verhalen, korte verhalen tot langere verhalen en uiteindelijk ontstond een boek, dat op dit moment in een ver stadium van uitgave is.
Voorliefde voor taal heeft Nelle Boer al sinds hij zich kan herinneren en het schrijven van welgeformuleerde zinnen doet hem altijd goed.