‘De Slokop’
C.C.Boer
De woonkamerwanden wervelen soms woest in het rond en het gezicht van Eva hangt vaker boven de pot dan boven de wachtende lippen van een geschikte kerel. Toch slokt zij het brandende vocht gulzig naar binnen, het is nooit genoeg. De natte washanden die de wallen onder haar ogen moesten doen slinken bleken uiteindelijk niet voldoende, de voormalige vriend in haar hoofd vraagt anderszins verdoofd te worden.
Een glas per avond en toen twee. Soms een tijdens de middag, vervolgens uit gewoonte tijdens de middag. Eenmaal een zwak moment op een vroege ochtend, om er uiteindelijk iedere ochtend de wekker voor te zetten. In de autorit naar het werk, naar huis en ondertussen op de parkeerplaats. Achter de deur van de koelkast in de keuken. Op het toilet, onder de douche, in de salon achter de kamerplant. Onder het dekbed in de slaapkamer en stiekem in de bezemkast. Op feestjes, voorafgaand aan feestjes, na afloop van feestjes. Verscholen achter de hand, bedekt door het servet en weerspiegeld in het raam. Proestend, likkend, loerend en hikkend.
De voormalige vriend van Eva spreekt tot haar, met een stem zo helder dat het lijkt alsof hij daadwerkelijk dichtbij is. Eva hoort hem zeggen: “Ik zal altijd in je hoofd blijven rondwaren. Soms op de voorgrond en dan weer gehuld in schaduw op de achtergrond. Af en toe lijk je me vergeten te zijn, maar ik kom steeds weer terug. In idyllische scènes in je dromen en als angstbeelden in je nachtmerries. Ik zweef als een zuchtje tocht door je kamers en trek aan de punt van je dekbed, mocht je even niet aan me gedacht hebben. Schuil in alles wat je denkt te herkennen. Als je gelooft dat je afscheid van me genomen hebt, heb je het mis. Ik ben namelijk nooit weggegaan, niet echt.”
In de supermarkt dook zij ineens met het voorhoofd naar de plavuizen rondom de kassa, Eva liep een flinke buil op voordat zij met trillende handen de contouren van het rekenapparaat vond. Om zich op te hijsen, te verheffen boven deze toestand.
Een cursus werd haar opgedrongen, nu mag Eva haar gedachten delen met anderen in vergelijkbare posities, gedachten die over van alles en nog wat gaan. Innerlijke demonen bijvoorbeeld, de verleiding en andere gruwelijkheden, De ergste verhalen en verhalen die nog erger zijn.
Niet geheel opgebeurd verlaat Eva die bijeenkomsten dan, kuiert in het donker naar huis met wensen die vooral veel bewusteloosheid beschrijven. Tijdens die avondwandelingen zegt hij: ”Het moment dat je denkt een nieuwe partner gevonden te hebben, breng ik je van die dwaze gedachte af door je te herinneren aan mij. Dan trek ik de vleugels uit de lijven van de vlinders in je buik. Ook overschaduw ik je toekomstplannen met het feit dat je dezelfde ooit met mij had en die zo jammerlijk mislukten.
Ik pijnig je brein, bestook je gedachteapparaat met vragen over hoe kapot het nu in wezen is tussen ons. Of er niet toch nog het een en ander geheeld kan worden, zonder daarover uitsluitsel te geven.
Zodoende verorber je hele strips paracetamol, drinkt glas na fles na krat leeg. Je bedwelmd je geest omdat ik er woon.“
Ook al tollen voor haar gevoel de meubelen om en om op hun drijfnatte as, toch stort Eva nogmaals een onbeschrijfelijk groot vat aan moeilijkheden in haar strottenhoofd leeg. Met liters tegelijk golft het haar keelgat binnen.
‘Als het leven makkelijk was zou het op den duur ook saai worden’ is zo’n gedachte waar Eva zich wel eens aan vasthoudt, maar het helpt niet genoeg. Al rotten haar tanden door de overdadige hoeveelheid gif ook weg in haar gebit, Eva drinkt en luistert naar de gestorven stem in haar hart: “Over liefde heb ik je cynisch gemaakt en over toenadering achterdochtig. Verliefdheid bestaat niet meer op jouw leeftijd, niet het soort dat wij kenden in ieder geval. Alle leuke dingen die met seksualiteit gepaard gingen ontstaan voor jou nu alleen nog maar uit kale drift. Niet langer uit behoefte aan iemand die je graag tegen je aan voelt liggen. Niet meer diens blote huid warm en kalm tegen je eigen. Alleen nog maar stom pompen.
Voedsel is inmiddels noodzakelijk, niet lekker. Douchen en tandenpoetsen idem dito. Kleding koop je omdat het oude versleten is en niet omdat je leuk voor de dag wil komen, voor wie?”
Is het gedoe van toen niet al veel te lang geleden om nog steeds zoveel pijn te hebben? Heeft de tijd, het bloed die gemene uitsteeksels aan de binnenwand van de hartkamer niet weg geërodeerd? Eva kan het zich allemaal niet erg goed meer herinneren. De drank heeft gaten in haar geheugen gebrand en er niets dan nietszeggende luchtbelletjes achtergelaten. Er is alleen nog maar het wachten tot de dosis verdoving te groot is gebleken.
Als de maag geleegd is en Eva nog wat kracht moet verzamelen om overeind te komen van de badkamervloer, heeft zij nog even gelegenheid te horen wat haar dode minnaar wil vertellen:
“Je lichaam reageert inmiddels schrikachtig bij aanraking, omdat het de mijne niet is.
Afvragen of je ooit weer gelukkig zal worden met iemand anders is zinloos, je zal je aandacht namelijk voorgoed moeten verdelen tussen diegene en mij. En hij zal het uiteindelijk niet pikken, dat je zoiets doet.”

–
Door Nelle Boer
–
De woonkamerwanden wervelen soms woest in het rond en het gezicht van Eva hangt vaker boven de pot dan boven de wachtende lippen van een geschikte kerel. Toch slokt zij het brandende vocht gulzig naar binnen, het is nooit genoeg. De natte washanden die de wallen onder haar ogen moesten doen slinken bleken uiteindelijk niet voldoende, de voormalige vriend in haar hoofd vraagt anderszins verdoofd te worden.
–
Een glas per avond en toen twee. Soms een tijdens de middag, vervolgens uit gewoonte tijdens de middag. Eenmaal een zwak moment op een vroege ochtend, om er uiteindelijk iedere ochtend de wekker voor te zetten. In de autorit naar het werk, naar huis en ondertussen op de parkeerplaats. Achter de deur van de koelkast in de keuken. Op het toilet, onder de douche, in de salon achter de kamerplant. Onder het dekbed in de slaapkamer en stiekem in de bezemkast. Op feestjes, voorafgaand aan feestjes, na afloop van feestjes. Verscholen achter de hand, bedekt door het servet en weerspiegeld in het raam. Proestend, likkend, loerend en hikkend.
–
De voormalige vriend van Eva spreekt tot haar, met een stem zo helder dat het lijkt alsof hij daadwerkelijk dichtbij is. Eva hoort hem zeggen: “Ik zal altijd in je hoofd blijven rondwaren. Soms op de voorgrond en dan weer gehuld in schaduw op de achtergrond. Af en toe lijk je me vergeten te zijn, maar ik kom steeds weer terug. In idyllische scènes in je dromen en als angstbeelden in je nachtmerries. Ik zweef als een zuchtje tocht door je kamers en trek aan de punt van je dekbed, mocht je even niet aan me gedacht hebben. Schuil in alles wat je denkt te herkennen. Als je gelooft dat je afscheid van me genomen hebt, heb je het mis. Ik ben namelijk nooit weggegaan, niet echt.”
–
In de supermarkt dook zij ineens met het voorhoofd naar de plavuizen rondom de kassa. Eva liep een flinke buil op voordat zij met trillende handen de contouren van het rekenapparaat vond. Om zich op te hijsen, te verheffen boven deze toestand.
Een cursus werd haar opgedrongen, nu mag Eva haar gedachten delen met anderen in vergelijkbare posities, gedachten die over van alles en nog wat gaan. Innerlijke demonen bijvoorbeeld, de verleiding en andere gruwelijkheden, De ergste verhalen en verhalen die nog erger zijn.
Niet geheel opgebeurd verlaat Eva die bijeenkomsten dan, kuiert in het donker naar huis met wensen die vooral veel bewusteloosheid beschrijven. Tijdens die avondwandelingen zegt hij: ”Het moment dat je denkt een nieuwe partner gevonden te hebben, breng ik je van die dwaze gedachte af door je te herinneren aan mij. Dan trek ik de vleugels uit de lijven van de vlinders in je buik. Ook overschaduw ik je toekomstplannen met het feit dat je dezelfde ooit met mij had en die zo jammerlijk mislukten.
Ik pijnig je brein, bestook je gedachtenapparaat met vragen over hoe kapot het nu in wezen is tussen ons. Of er niet toch nog het een en ander geheeld kan worden, zonder daarover uitsluitsel te geven.
Zodoende verorber je hele strips paracetamol, drinkt glas na fles na krat leeg. Je bedwelmt je geest omdat ik er woon.“
–
Ook al tollen voor haar gevoel de meubelen om en om op hun drijfnatte as, toch stort Eva nogmaals een onbeschrijfelijk groot vat aan moeilijkheden in haar strottenhoofd leeg. Met liters tegelijk golft het haar keelgat binnen.
‘Als het leven makkelijk was zou het op den duur ook saai worden’ is zo’n gedachte waar Eva zich wel eens aan vasthoudt, maar het helpt niet genoeg. Al rotten haar tanden door de overdadige hoeveelheid gif ook weg in haar gebit, Eva drinkt en luistert naar de gestorven stem in haar hart: “Over liefde heb ik je cynisch gemaakt en over toenadering achterdochtig. Verliefdheid bestaat niet meer op jouw leeftijd, niet het soort dat wij kenden in ieder geval. Alle leuke dingen die met seksualiteit gepaard gingen ontstaan voor jou nu alleen nog maar uit kale drift. Niet langer uit behoefte aan iemand die je graag tegen je aan voelt liggen. Niet meer diens blote huid warm en kalm tegen je eigen. Alleen nog maar stom pompen.
Voedsel is inmiddels noodzakelijk, niet lekker. Douchen en tandenpoetsen idem dito. Kleding koop je omdat het oude versleten is en niet omdat je leuk voor de dag wil komen, voor wie?”
–
Is het gedoe van toen niet al veel te lang geleden om nog steeds zoveel pijn te hebben? Heeft de tijd, het bloed die gemene uitsteeksels aan de binnenwand van de hartkamer niet weg geërodeerd? Eva kan het zich allemaal niet erg goed meer herinneren. De drank heeft gaten in haar geheugen gebrand en er niets dan nietszeggende luchtbelletjes achtergelaten. Er is alleen nog maar het wachten tot de dosis verdoving te groot is gebleken.
Als de maag geleegd is en Eva nog wat kracht moet verzamelen om overeind te komen van de badkamervloer, heeft zij nog even gelegenheid te horen wat haar dode minnaar wil vertellen:
“Je lichaam reageert inmiddels schrikachtig bij aanraking, omdat het de mijne niet is.
Afvragen of je ooit weer gelukkig zal worden met iemand anders is zinloos, je zal je aandacht namelijk voorgoed moeten verdelen tussen diegene en mij. En hij zal het uiteindelijk niet pikken, dat je zoiets doet.”
–
Biografie Nelle Boer
–

Nelle Boer is geboren op 14 maart 1982 in Zwolle, Overijssel.
–
In 2006 studeerde Nelle Boer af aan ArtEZ, Academie voor Beeldende Kunsten te Zwolle als Autonoom Beeldend Kunstenaar. Sindsdien werkt hij als professioneel kunstenaar en heeft een bijbaan als thuiszorgmedewerker.
–
De gedichten die Nelle Boer rond zijn zestiende schreef bleken voor hem op een gegeven moment korte verhalen te zijn die veel breder uitgewerkt konden worden, hij breidde gedichten uit tot korte verhalen, korte verhalen tot langere verhalen en uiteindelijk ontstond een boek, dat op dit moment in een ver stadium van uitgave is.
–
Voorliefde voor taal heeft Nelle Boer al sinds hij zich kan herinneren en het schrijven van welgeformuleerde zinnen doet hem altijd goed.
–
Nelle Boer is de vaste schrijver van de nationaleboekenblog.nl Dit is zijn zesde bijdrage. Zie ook zijn verhalen ‘Morfine’, ‘De wegvliedende droom’, ‘Gedicht voor Merel’, ‘De Peperbus en de doodswens die zij aanwakkert’ en ‘Het wil maar niet gezellig worden’.

vandaag is er geen nieuws van dit blog. Afschuwelijke baarlijke nonsens worden hier in onzinnig taalgebruik aangeboden ter webvervuiling. Ook collega hanneke brengt het thans niet verder dan een buurs praatje over het weer. Weinig tot geen inspiratie blijkbaar.