Haar glimlach vervormt tot een langgerekte lachspiegelgrijns. Eerst is er een geüniformeerde vrouw en daarna ineens een hoop bewegende vlekken. Ik heb de zoveelste injectie met morfine in mij geprikt gekregen en ben er de hemel en de aarde dankbaar voor.
Ik ril. Maar een geruststellende gloed stroomt de opening in de ader van mijn bovenbeen naar binnen en dan naar mijn lies. Vervolgens via de navel naar de borst, dan opwaarts door de keel tot het mijn gezicht verhit. Ik leef als nooit tevoren en ben sterker dan ooit, ik draag namelijk drie verpleegkundigen tegelijk op mijn rug naar de operatiekamer. Zet ze op de tafel en daar de felle lamp weer bovenop. Gebruik mijn tong als scalpeermes, snij de buiken open en zuig de ziekte er uit. Of beeld ik het mezelf in?
Het eten hier is slijmerig en onbeduidend, ik kokhals en probeer toch de veelbenodigde vitaminen naar binnen te krijgen. Ik moet genezen, van de pijn.
Gelukkig is mijn moeder er, al is haar aanblik anders dan eerst. Ze heeft sinds kort twee hoofden en maar een enkele arm, die vanonder haar derde borst naar buiten groeit. Het kan ook betekenen dat ik wat teveel morfine gehad heb. Of misschien wel veel te veel.
Het hoofd van de afdeling komt naar me toe en vertelt me dat ik gewassen zal worden. Ze slaat mijn laken terug, ontbloot mij en mijn lijf en ritst het gordijn open. ‘Hier is hij dan’, galmt ze, waarop iedereen in mijn omgeving uit eerbied voor mijn imposante mannelijkheid knielt. Tenzij het de morfine is en ik me vergis.
De studentes Verpleegkunde zullen voor het eerst een patiënt leren wassen. Ik kijk plotseling in zeven paar gretige ogen en ik wil hen niet teleurstellen. Geen van hen schiet in de lach bij het zien van mijn hulpeloze lichaampje, tot mijn geluk.
Kort erna zie ik in de spiegel voor het eerst mijzelf als oude man. Er staan uiterlijke en inwendige rimpels in mij gekrast, die ik van zeer dichtbij bekijk. Ook is mijn haar van het ene op het andere moment grijs geworden en dat reeds op mijn zeventiende. Nadat de morfine uitgewerkt is, zie ik dat mijn haar in de tussentijd gelukkig weer blond teruggegroeid is. Zoals het eerder altijd blonk.
Wanneer je beseft dat je twee knieën op een enkel been hebt, moet je jezelf daar aan overgeven. Het is nu eenmaal zo en in je eentje los je zulk soort dingen niet op. Bij inheemse volkeren gaat er nog wel eens iemand dood aan een simpele botbreuk, vanwege infecties en dergelijke. Reden te meer om op de ambulance te wachten en op de morfine.
Realistisch als ik ben, wist ik dat de naderende auto te dichtbij was om niet geraakt te zullen worden. Ik stond in het midden van de felverlichte werkelijkheid, te wachten op de klap, welke hard zou zijn en onvermijdelijk. Zo’n moment heb ik sindsdien nooit meer meegemaakt, van het allesbepalende soort. Een ogenblik waarin je van tevoren weet dat je zometeen een ongelooflijke dreun tegen je lijf gaat krijgen. Dat je ze zal moeten incasseren, hoe het ook afloopt. Ik zette me schrap.
Ik kuste de voorruit en ze kuste niet terug. Sloeg me in het gezicht, alsof ze verontwaardigd was over het feit dat ik ineens zo ongevraagd, zo dichtbij kwam. Dus deinsde ik terug en schuurde wat langs het asfalt met mijn neusbotje. Tot ik tot stilstand kwam.
Ik hoorde sirenes en ik dacht aan verlossing.
In mijn onderbeen voel ik het ene botfragment over het andere schrapen, het knispert in mijn kuit. Ik pak mijn enkel vast en merk dat mijn voet er maar een beetje zielig bij bungelt.
En ik leg mijn been recht, zoals het er vroeger altijd uit zag.
Een heleboel vragen. En een heleboel conclusies. ‘Ik zag hem aankomen, hij reed veel te hard.’ ‘Wat een bloed.’ ‘Die jongen keek niet uit.’
Het loeiende gevaarte stopt, er springen geüniformeerde gedaantes uit, de spuit paraat, de tred trefzeker en ik het doel.
Ik huil terwijl ze me prikt, niet vanwege de pijn maar omwille de verlossing welke zich ondanks alle tekenen, die geheel anders uitwezen, toch voltrok. Ik hink weg op een been en mep ondertussen met mijn losgerukte, opgezwollen voet alles dat leeft dood. Omdat de morfine zegt dat het moet.
Ik ben een reuzenbaby. Die zichzelf niet wassen en alleen nog maar kruipen kan. Die zich niet herkent in zijn spiegelbeeld. En met zijn houterige, stuntelige bewegingen van alles kapot maakt. Ik trappel met mijn knakkende been en scheur de hechtingen los. Sper met alle kracht die ik nog in me heb het gat in mijn ader wijd open. Om de morfine er gulzig in op te kunnen slokken. Mijn hart doet met haar slag het bruisende elixer in stroomversnelling komen, zodat het vlugger mijn brein naar binnen kan rukken, om de vele koortshaarden te blussen.
En bij mijn ontslag wuifde ik niet alleen naar de lieve verpleegkundigen, maar ook naar de nog lekkende spuiten die uit hun borstzakjes staken.
Na anderhalf jaar revalideren mocht ik opnieuw geopereerd worden, om de genezing te versnellen. In de operatiekamer klinkt men doorgaans onvoorstelbaar opgewekt, alsof je de leukste ervaring zal beleven die een mens ooit kennen zal. Je bent een uitverkorene en zou jezelf gelukkig moeten prijzen.
“Daar bent u dan.”
“Hier ben ik.“
“We maken u even weg.”
“Graag.”
En dan alleen een pikdonkere kamer en onbestemde geluiden. Het klingelt in mijn dove oren. Het draait maar in mijn blinde ogen. En mijn dode tong ligt machteloos onder de rand van het beademingsapparaat geklemd.
Ontwaakt uit mijn narcotische toestand realiseer ik me dat ik er best lekker bij lig onder de omstandigheden, heerlijk warm. Het doet nergens zeer. De zoom van een zacht, schoon laken tegen het puntje van mijn neus gedrukt, mijn achterhoofd in een donzig kussen gevleid en dat alles met een vrolijk muziekje vanuit de speakers op de achtergrond.
“Heeft u erg veel pijn? Zo ja, dan kunnen we u een morfine-extract toedienen.”
De glimlach komt naderbij en wordt een langgerekte lachspiegelgrijns. Ik heb morfine in mij geprikt gekregen, omdat ik er recht op heb.

–
Haar glimlach vervormt tot een langgerekte lachspiegelgrijns. Eerst is er een geüniformeerde vrouw en daarna ineens een hoop bewegende vlekken. Ik heb de zoveelste injectie met morfine in mij geprikt gekregen en ben er de hemel en de aarde dankbaar voor.
–
Ik ril. Maar een geruststellende gloed stroomt de opening in de ader van mijn bovenbeen naar binnen en dan naar mijn lies. Vervolgens via de navel naar de borst, dan opwaarts door de keel tot het mijn gezicht verhit. Ik leef als nooit tevoren en ben sterker dan ooit, ik draag namelijk drie verpleegkundigen tegelijk op mijn rug naar de operatiekamer. Zet ze op de tafel en daar de felle lamp weer bovenop. Gebruik mijn tong als scalpeermes, snij de buiken open en zuig de ziekte er uit. Of beeld ik het mezelf in?
Het eten hier is slijmerig en onbeduidend, ik kokhals en probeer toch de veelbenodigde vitaminen naar binnen te krijgen. Ik moet genezen, van de pijn.
Gelukkig is mijn moeder er, al is haar aanblik anders dan eerst. Ze heeft sinds kort twee hoofden en maar een enkele arm, die vanonder haar derde borst naar buiten groeit. Het kan ook betekenen dat ik wat teveel morfine gehad heb. Of misschien wel veel te veel.
–
Het hoofd van de afdeling komt naar me toe en vertelt me dat ik gewassen zal worden. Ze slaat mijn laken terug, ontbloot mij en mijn lijf en ritst het gordijn open. ‘Hier is hij dan’, galmt ze, waarop iedereen in mijn omgeving uit eerbied voor mijn imposante mannelijkheid knielt. Tenzij het de morfine is en ik me vergis.
De studentes Verpleegkunde zullen voor het eerst een patiënt leren wassen. Ik kijk plotseling in zeven paar gretige ogen en ik wil hen niet teleurstellen. Geen van hen schiet in de lach bij het zien van mijn hulpeloze lichaampje, tot mijn geluk.
Kort erna zie ik in de spiegel voor het eerst mijzelf als oude man. Er staan uiterlijke en inwendige rimpels in mij gekrast, die ik van zeer dichtbij bekijk. Ook is mijn haar van het ene op het andere moment grijs geworden en dat reeds op mijn zeventiende. Nadat de morfine uitgewerkt is, zie ik dat mijn haar in de tussentijd gelukkig weer blond teruggegroeid is. Zoals het eerder altijd blonk.
–
Wanneer je beseft dat je twee knieën op een enkel been hebt, moet je jezelf daar aan overgeven. Het is nu eenmaal zo en in je eentje los je zulk soort dingen niet op. Bij inheemse volkeren gaat er nog wel eens iemand dood aan een simpele botbreuk, vanwege infecties en dergelijke. Reden te meer om op de ambulance te wachten en op de morfine.
Realistisch als ik ben, wist ik dat de naderende auto te dichtbij was om niet geraakt te zullen worden. Ik stond in het midden van de felverlichte werkelijkheid, te wachten op de klap, welke hard zou zijn en onvermijdelijk. Zo’n moment heb ik sindsdien nooit meer meegemaakt, van het allesbepalende soort. Een ogenblik waarin je van tevoren weet dat je zometeen een ongelooflijke dreun tegen je lijf gaat krijgen. Dat je ze zal moeten incasseren, hoe het ook afloopt. Ik zette me schrap.
Ik kuste de voorruit en ze kuste niet terug. Sloeg me in het gezicht, alsof ze verontwaardigd was over het feit dat ik ineens zo ongevraagd, zo dichtbij kwam. Dus deinsde ik terug en schuurde wat langs het asfalt met mijn neusbotje. Tot ik tot stilstand kwam.
Ik hoorde sirenes en ik dacht aan verlossing.
In mijn onderbeen voel ik het ene botfragment over het andere schrapen, het knispert in mijn kuit. Ik pak mijn enkel vast en merk dat mijn voet er maar een beetje zielig bij bungelt.
En ik leg mijn been recht, zoals het er vroeger altijd uit zag.
Een heleboel vragen. En een heleboel conclusies. ‘Ik zag hem aankomen, hij reed veel te hard.’ ‘Wat een bloed.’ ‘Die jongen keek niet uit.’
Het loeiende gevaarte stopt, er springen geüniformeerde gedaantes uit, de spuit paraat, de tred trefzeker en ik het doel.
Ik huil terwijl ze me prikt, niet vanwege de pijn maar omwille de verlossing welke zich ondanks alle tekenen, die geheel anders uitwezen, toch voltrok. Ik hink weg op een been en mep ondertussen met mijn losgerukte, opgezwollen voet alles dat leeft dood. Omdat de morfine zegt dat het moet.
–
Ik ben een reuzenbaby. Die zichzelf niet wassen en alleen nog maar kruipen kan. Die zich niet herkent in zijn spiegelbeeld. En met zijn houterige, stuntelige bewegingen van alles kapot maakt. Ik trappel met mijn knakkende been en scheur de hechtingen los. Sper met alle kracht die ik nog in me heb het gat in mijn ader wijd open. Om de morfine er gulzig in op te kunnen slokken. Mijn hart doet met haar slag het bruisende elixer in stroomversnelling komen, zodat het vlugger mijn brein naar binnen kan rukken, om de vele koortshaarden te blussen.
En bij mijn ontslag wuifde ik niet alleen naar de lieve verpleegkundigen, maar ook naar de nog lekkende spuiten die uit hun borstzakjes staken.
–
Na anderhalf jaar revalideren mocht ik opnieuw geopereerd worden, om de genezing te versnellen. In de operatiekamer klinkt men doorgaans onvoorstelbaar opgewekt, alsof je de leukste ervaring zal beleven die een mens ooit kennen zal. Je bent een uitverkorene en zou jezelf gelukkig moeten prijzen.
“Daar bent u dan.”
“Hier ben ik.“
“We maken u even weg.”
“Graag.”
En dan alleen een pikdonkere kamer en onbestemde geluiden. Het klingelt in mijn dove oren. Het draait maar in mijn blinde ogen. En mijn dode tong ligt machteloos onder de rand van het beademingsapparaat geklemd.
–
Ontwaakt uit mijn narcotische toestand realiseer ik me dat ik er best lekker bij lig onder de omstandigheden, heerlijk warm. Het doet nergens zeer. De zoom van een zacht, schoon laken tegen het puntje van mijn neus gedrukt, mijn achterhoofd in een donzig kussen gevleid en dat alles met een vrolijk muziekje vanuit de speakers op de achtergrond.
“Heeft u erg veel pijn? Zo ja, dan kunnen we u een morfine-extract toedienen.”
De glimlach komt naderbij en wordt een langgerekte lachspiegelgrijns. Ik heb morfine in mij geprikt gekregen, omdat ik er recht op heb.
–
–
Biografie Nelle Boer
–

Nelle Boer is geboren op 14 maart 1982 in Zwolle, Overijssel.
–
In 2006 studeerde Nelle Boer af aan ArtEZ, Academie voor Beeldende Kunsten te Zwolle als Autonoom Beeldend Kunstenaar. Sindsdien werkt hij als professioneel kunstenaar en heeft een bijbaan als thuiszorgmedewerker.
–
De gedichten die Nelle Boer rond zijn zestiende schreef bleken voor hem op een gegeven moment korte verhalen te zijn die veel breder uitgewerkt konden worden, hij breidde gedichten uit tot korte verhalen, korte verhalen tot langere verhalen en uiteindelijk ontstond een boek, dat op dit moment in een ver stadium van uitgave is.
–
Voorliefde voor taal heeft Nelle Boer al sinds hij zich kan herinneren en het schrijven van welgeformuleerde zinnen doet hem altijd goed.
–
Nelle Boer is de vaste schrijver van de nationaleboekenblog.nl Dit is zijn vijfde bijdrage. Zie ook zijn verhalen ‘De wegvliedende droom’, ‘Gedicht voor Merel’, ‘De Peperbus en de doodswens die zij aanwakkert’ en ‘Het wil maar niet gezellig worden’.

Fantastisch stuk, geweldig geschreven, ik smulde van elk woord. Dank je.