‘Drie’

“Drie”
Nelle Boer
Samen gezellig op het tapijt in de kamer, naakt, wij zijn een opeenstapeling van schaamte en verlangen. Er zijn twee verschillende geslachtsorganen aanwezig en van een zelfs twee, wij nemen het niet zo nauw, hoe wij genieten. Mooi stil is het ook afgezien van de gezelligheid, zelfs de tijd tikt hier niet.
Die andere twee en ik, blijkbaar hebben wij niet genoeg aan een enkele metgezel, want fijner is het genegenheid van meerdere te ontvangen. Dat het geven ervan af en toe wordt afgelost is ook niet onaardig, vooral als er even niets meer over is.
Ik bekijk mijn lievelingen van top tot teen en nergens vind ik iets dat mij niet aanstaat, dit voorrecht is blijk van gerechtigheid, zoals zij behoort te geschieden. Het liefst bond ik hen aan elkaar vast, om vervolgens de onschuld van dit alles eruit te geselen, maar als zij willen liefkozen is dat ook goed.
Zij is klein en zeer behendig, een acrobate en wij de saltogordels. Bij haar landingen klinkt  ons applaus en als zij in de lucht hangt wachten wij gespannen af wanneer zij weer tot ons komen zal. Tot zij weer terug is hier beneden, haar lichaam dat tussen  hem en mij op het tapijt ploft.
Hij is groot, in alles. Ook wanneer zijn lichaam opkrult voor het de slaap vat en zelfs als hij er niet is. Bij zijn binnenkomst wordt hij warm verwelkomd, zijn vertrek maakt kil deze kamer en alles dat ondertussen gebeurt is goed.
Soms is het lastig iets vast te grijpen in al dit geglibber, onze handen zoeken vooral, maar vinden uiteindelijk altijd wel iemand, ergens is er wel warm vlees dat wil. Al ons gekronkel met al deze ledematen volstaat als cultureel verantwoorde moderne dans, een knieholte in mijn nek, hun gezichten vlakbij de mijne en onze zuchten die een en dezelfde wordt. Samen zijn wij en samen moeten wij blijven.
Het tapijt krijgt veel te verduren en ooit zal er een nieuwe moeten komen, maar het ligt zo fijn en het voelt zo prettig aan de knieën. Wij horen er thuis, zoals een tweetal ergens behoren kan en zoals wij drieën dat kunnen, door dit tapijt te bewonen, waar wij blijkbaar in al het niets toch iets gevonden hebben.
Aan het ontbijt, waarbij de kruimels van de beschuiten een wil lijken te hebben en alle plooien ontdekken die onze lichamen kennen, wordt weinig gesproken zonder dat het pijnlijk is, gewoonte eerder. Zij drinkt haar melk, hij koffie, ik ook. En ook ik sla het lezen van de krant over, om met hernieuwde kracht het tapijt te betreden.
Drie harten bonzen, waarom genoegen nemen met minder? Ik luister aan twee borsten en hoor mijn eigen slag. Ooit heb ik gedacht dat deze dingen slechts voor twee mensen bestemd waren, maar nu weet ik meer. Vier benen omstrengelen de mijne en de mijne hen, een zestal hakken slijt krassen in het tapijt.
De acrobate en de grote zijn vaardig en sterk, zij bewegen zich gemakkelijk door het leven.
En ik, ik slenter soms door de straten en als ik dan niet weet waar heen te gaan, ga ik maar weer terug. Terug ons huis naar binnen, waar het alsmaar zo knus is. Daar is altijd wel iemand om mezelf aan te verwarmen, want buiten is het zo guur en er bestaat zo onvoorstelbaar veel buiten.
tapijt
Door Nelle Boer
Samen gezellig op het tapijt in de kamer, naakt, wij zijn een opeenstapeling van schaamte en verlangen. Er zijn twee verschillende geslachtsorganen aanwezig en van een zelfs twee, wij nemen het niet zo nauw, hoe wij genieten. Mooi stil is het ook afgezien van de gezelligheid, zelfs de tijd tikt hier niet.
Die andere twee en ik, blijkbaar hebben wij niet genoeg aan een enkele metgezel, want fijner is het genegenheid van meerdere te ontvangen. Dat het geven ervan af en toe wordt afgelost is ook niet onaardig, vooral als er even niets meer over is.
Ik bekijk mijn lievelingen van top tot teen en nergens vind ik iets dat mij niet aanstaat, dit voorrecht is blijk van gerechtigheid, zoals zij behoort te geschieden. Het liefst bond ik hen aan elkaar vast, om vervolgens de onschuld van dit alles eruit te geselen, maar als zij willen liefkozen is dat ook goed.
Zij is klein en zeer behendig, een acrobate en wij de saltogordels. Bij haar landingen klinkt  ons applaus en als zij in de lucht hangt wachten wij gespannen af wanneer zij weer tot ons komen zal. Tot zij weer terug is hier beneden, haar lichaam dat tussen  hem en mij op het tapijt ploft.
Hij is groot, in alles. Ook wanneer zijn lichaam opkrult voor het de slaap vat en zelfs als hij er niet is. Bij zijn binnenkomst wordt hij warm verwelkomd, zijn vertrek maakt kil deze kamer en alles dat ondertussen gebeurt is goed.
Soms is het lastig iets vast te grijpen in al dit geglibber, onze handen zoeken vooral, maar vinden uiteindelijk altijd wel iemand, ergens is er wel warm vlees dat wil. Al ons gekronkel met al deze ledematen volstaat als cultureel verantwoorde moderne dans, een knieholte in mijn nek, hun gezichten vlakbij de mijne en onze zuchten die een en dezelfde wordt. Samen zijn wij en samen moeten wij blijven.
Het tapijt krijgt veel te verduren en ooit zal er een nieuwe moeten komen, maar het ligt zo fijn en het voelt zo prettig aan de knieën. Wij horen er thuis, zoals een tweetal ergens behoren kan en zoals wij drieën dat kunnen, door dit tapijt te bewonen, waar wij blijkbaar in al het niets toch iets gevonden hebben.
Aan het ontbijt, waarbij de kruimels van de beschuiten een wil lijken te hebben en alle plooien ontdekken die onze lichamen kennen, wordt weinig gesproken zonder dat het pijnlijk is, gewoonte eerder. Zij drinkt haar melk, hij koffie, ik ook. En ook ik sla het lezen van de krant over, om met hernieuwde kracht het tapijt te betreden.
Drie harten bonzen, waarom genoegen nemen met minder? Ik luister aan twee borsten en hoor mijn eigen slag. Ooit heb ik gedacht dat deze dingen slechts voor twee mensen bestemd waren, maar nu weet ik meer. Vier benen omstrengelen de mijne en de mijne hen, een zestal hakken slijt krassen in het tapijt.
De acrobate en de grote zijn vaardig en sterk, zij bewegen zich gemakkelijk door het leven.
En ik, ik slenter soms door de straten en als ik dan niet weet waar heen te gaan, ga ik maar weer terug. Terug ons huis naar binnen, waar het alsmaar zo knus is. Daar is altijd wel iemand om mezelf aan te verwarmen, want buiten is het zo guur en er bestaat zo onvoorstelbaar veel buiten.

Biografie Nelle Boer

Nelle Boer
Nelle Boer

Nelle Boer is geboren op 14 maart 1982 in Zwolle, Overijssel.

In 2006 studeerde Nelle Boer af aan ArtEZ, Academie voor Beeldende Kunsten te Zwolle als Autonoom Beeldend Kunstenaar. Sindsdien werkt hij als professioneel kunstenaar en heeft een bijbaan als thuiszorgmedewerker.
De gedichten die Nelle Boer rond zijn zestiende schreef bleken voor hem op een gegeven moment korte verhalen te zijn die veel breder uitgewerkt konden worden, hij breidde gedichten uit tot korte verhalen, korte verhalen tot langere verhalen en uiteindelijk ontstond een boek, dat op dit moment in een ver stadium van uitgave is.
Voorliefde voor taal heeft Nelle Boer al sinds hij zich kan herinneren en het schrijven van welgeformuleerde zinnen doet hem altijd goed.
Nelle Boer is de vaste schrijver van de nationaleboekenblog.nl Dit is zijn zevende bijdrage. Zie ook zijn verhalen ‘De Slokop’, ‘Morfine’, ‘De wegvliedende droom’, ‘Gedicht voor Merel’, ‘De Peperbus en de doodswens die zij aanwakkert’ en ‘Het wil maar niet gezellig worden’.