Detective van de ziel: ‘Ga maar springen’

Japin beschrijft gekte, zwakte en genialiteit van danser Vaslav

Door Peter le Nobel

De zweefsprong van Vaslav is een magonische werkelijkheid die iedereen kan bereiken, vindt Arthur Japin. Foto: Peter le Nobel
De zweefsprong van Vaslav is een magonische werkelijkheid die iedereen kan bereiken, vindt Arthur Japin. Foto: Peter le Nobel
UTRECHT – Arthur Japin las in de jaren tachtig het dagboek van de beroemde Russische danser Vaslav. Ruim twintig jaar later is zojuist het boek ‘Vaslav’ uitgekomen, over genialiteit en gekte, beschreven op de intense wijze als liefhebbers van Japin gewoon zijn, maar er is ook een verhaal over liefde, fantasie, inleven en intuïtie, waarbij iedereen het leven van een ander kan meemaken. ‘Regel voor regel.’

“Lex Jansen, toen al mijn vriend en tegenwoordig ook mijn uitgever, liet mij het dagboek van Vaslav lezen. Ik was net van de theaterschool af en het leek me leuk om zijn verhaal met een paar mensen te spelen. Het dagboek greep me meteen. Nu ik wat ouder ben, begrijp ik wel waarom het me toen aansprak: je zag daarin het proces van gek worden. Mijn vader belandde in een gesticht, dus je was zelf ook gefascineerd door die ontwikkeling. Twee mensen die ik daar zag, keren in mijn boek terug. Ik zag een vrouw die voortdurend zat te huilen en een man die in zijn eentje een orkest speelde. Hij was dolgelukkig. Als kind was ik gefascineerd door de vraag waarom zij gericht was op iets lelijks en hij op iets moois. Bovendien ontdekte ik achteraf nog meer dingen in het dagboek die van mij hadden kunnen zijn. Vaslav roept op: leer mensen lief te hebben, en hij beschrijft zijn hang naar stilte. Dat heb ik zelf ook heel erg.”

De schrijver moet meerdere boeken in zijn hoofd hebben, die daar in alle rust liggen te rijpen. Het dagboek van Vaslav las hij aan het begin van de jaren tachtig, en ook het boek ‘De zwarte met het witte hart’ zag pas in 1997 het licht, terwijl Japin al in 1987 van het verhaal over de twee Ghanese prinsjes heeft gehoord. “Na het schrijven van De Overgave, mijn voorlaatste boek dat zich afspeelt op de Amerikaanse prairie, had ik weer zin om theater en schoonheid te beschrijven.”

Magonië

Zijn debuut ‘Magonische verhalen’ is een van de belangrijkste boeken van de schrijver om Japin te begrijpen. “Die verhalen gaan over mensen die niet zo goed in de werkelijkheid passen. Zij zijn allemaal eenlingen, die een plaats moeten vinden in het echte leven. In die zin staan ze symbool voor mijn vader, die ook niet goed met de werkelijkheid kon leven. Hij vertelde mij verhalen over Magonia, een land in de wolken waar de Middeleeuwers in geloofden. Zij dachten dat de wolken de onderkanten van schepen waren. Ze dachten dat sommige van de opvarenden via een touwladder naar beneden klommen. Een aantal ‘Magoniërs’ is in de veertiende eeuw ook op de brandstapel beland.”

“Er spreekt uit de verhalen ook een andere symboliek: deze mensen leefden in een luchtlaag waar ze zich prettiger voelden. Beneden konden ze niet goed aarden. Het gaat in die verhalen altijd om de vraag: moet ik afgaan op wat ik voel, hoe ik weet dat ik van binnen ben of afgaan op hoe mensen naar mij kijken? Moet ik een ander toelaten in mijn leven? Het is een facet van mijzelf. Als ik zo’n leven in de geschiedenis zie, dan denk ik: ‘Mijn God, hoe heb jij dat gedaan? Welke oplossing heb jij bedacht om het in het leven te redden?’ Een Franse recensent noemde mij ooit een ‘détecteur d’âmes’, een onderzoeker van de ziel. Het gaat me niet zozeer om de feiten, maar hoe je van de ene stap tot de andere bent gekomen. Hoe voelt dat? Wat doet dat met je? Dat vind ik spannend. Het is een speurtocht naar de emotionele invulling van zielen. Ik wil lezers andermans leven binnenlokken. Daarom vind ik de ik-vorm prachtig. Kijk nou eens vanuit dit lichaam, kijk eens hoe het voelt om bekeken te worden, een buitenstaander te zijn. Ik denk dat ik dat doe om mensen zelf te laten begrijpen. Ik herken me er zelf in, in het aspect van gepest worden op school.”

“Of ik voor ze opkom? Ja, eigenlijk wel. Ik heb heel lang gedacht dat ik mensen kon leren om een ander te lezen, zoals ik dat kan. Dat heeft tot mijn dertigste geduurd. Niet iedereen kan het, zo is mij gebleken. Wat ik in al mijn kunsten wilde was om mijzelf herkenbaar te maken. Ik denk dat ik me daarom bezighield met toneelspelen, dansen. Ik zocht een taal waarin ik gehoord zou worden. Als mensen mijn boeken echt goed lezen, dan kunnen ze niet ontkennen wat mijn personages hebben doorstaan, want je hebt het zelf meegemaakt, regel voor regel.”

Kwasi-Kwame keuze

Magonische Verhalen is het officiële debuut, maar het schrijversschap van Japin begon met het verhaal over de twee prinsjes Kwasi en Kwame uit Ghana, die als cadeauset aan Koning Willem I in Nederland werden overhandigd. ‘Hij stopte met acteren en begon te schrijven’ staat radicaal op Japin’s site vermeld. “Ik hoorde het verhaal van iemand die in Ghana op reis was geweest. Ik werd nieuwsgierig. De ene jongen bleef zijn Afrikaanse wortels trouw, de ander paste zich helemaal aan Nederland aan. Ja, dat snap ik, en daar wilde ik meer van weten. Ik wist van tevoren niet dat het nog tien jaar zou duren voor er een boek van zou komen. Ik speelde in die tijd nog wel toneel, om geld te verdienen, maar voelde me er niet gelukkig onder. Ik dacht mij te kunnen verbergen in een rol, maar ik stond op het podium veel naakter dan ik wilde, soms letterlijk in je blootje. Misschien waren mijn littekens van mijn jeugd in die tijd nog te vers om mijn innerlijk te durven tonen.”

Japin diepte het verhaal uit, onderzocht de feiten. “Ik zag het isolement van die twee jongetjes. Ik dacht: ‘Mijn God, dat ben ik zelf!’ Ik stond altijd voor de Kwasi-Kwame keuze. In die zin zijn ze altijd bij mij, zijn ze nooit weg. Misschien zijn ze inderdaad mijn beschermengelen van het schrijversschap.”

Intuïtie

In zijn jeugd voelde Japin die bescherming niet. Zijn vader had moeite met het leven, was geestesziek, en had last van een kwade dronk. “Ik leerde heel goed aanvoelen wanneer de sfeer in huis zou omslaan.” Op school was hij daardoor bang en verlegen. “In die tijd dacht ik dat ik mismaakt was, er moest wel iets mis met mezelf zijn. Alle foto’s uit die tijd heb ik ook weggegooid. Mijn oma heeft ze echter bewaard en achteraf zag ik weinig bijzonders aan mij. Ja, een stil en teruggetrokken jongetje. In het groepsproces was ik de zwakste schakel. Dat voelde iedereen feilloos aan. Zelfs een leraar deed mee. Geregeld werd ik door mijn klasgenootjes in elkaar geslagen. Ook sigarettenpeuken drukten ze op me uit, meerdere malen. Het zou misschien anders zijn geweest als ik een keer flink had teruggeslagen, maar dat zat niet in mijn pakket. Nog steeds niet. Pesten komt overal voor, op school op het werk, op de sportschool… Als ik kinderen had, dan zou ik ze nooit naar school sturen. Net als Marguerite Yourcenar zou ik ze privélessen geven. Ik weet eigenlijk niet of dat in Nederland überhaupt kan.”

Er was wel iets anders dat over hem waakte: het kleine hondje Trip. “Een vuilnisbakkenras, wij haalden hem uit het asiel. Wij dachten dat hij mismaakt was, helemaal kromgetrokken was hij. Hij begroef zich onder de jas van mijn vader. Wij namen hem mee en thuis verzorgden wij hem. Ik ontdekte dat hij helemaal niet krom was. Na twee dagen knapte hij door alle liefde helemaal op. Kaarsrecht ging hij op zijn pootjes staan en richtte zijn oren op. Het was net een hertje. Ik heb veel van hem geleerd: onvoorwaardelijke liefde, en het gebruiken van je intuïtie. Hij wist feilloos wat er ging gebeuren en waakte over mij en mijn moeder. En hij was heel impulsief. Een keer heeft hij de slagader van mijn vader doorgebeten toen die ons aanviel.”

“Het pluspunt van dit alles is dat je gedwongen wordt om iets anders aan te boren. Je spreekt de fantasie aan, het geloof dat alles beter wordt. Dat brengt ons op Vaslav.”

Genialiteit

‘Ze denken dat scheppen iets buitengewoons is. Ze weten niet dat iedereen dat kan en als je het ze vertelt, willen ze het niet geloven.’ (p. 67) “Ik ben ervan overtuigd dat iedereen het kan. Dat zeg ik zelf ook. De indruk die bij je binnenkomt moet groot genoeg zijn. Bij mij gebeurde dat voor het eerst toen ik het verhaal van de prinsjes hoorde.”

‘Genialiteit is een vorm van domheid’ (…) ‘Het enige wat je ervoor moet doen’, vervolgt hij, ‘is zonder na te denken grote keuzes maken.’ (p. 70) “Die uitspraak is van de Nederlandse componist Andriessen. Hij speelde hier op mijn vleugel. Er was even het plan dat hij de opera Kwasi & Kwame zou maken over de prinsjes van Ashanti, die nu is gecomponeerd dor Jonathan Dove. Het klopt, ik geloof dat heel erg. Ik zie bij heel veel mensen dat de eerste impuls de juiste is, maar dan gaan ze denken en volgen zij niet hun hart. Ze denken: ‘Ik kan toch geen boek schrijven.’ Dat is die rede. Het volgen van je impuls geldt zeker voor het werk van het scheppen. Je moet niet nadenken. Ik denk dat veel mensen geen boek schrijven, omdat ze nooit een onderwerp hadden dat zo dwingend was dat ze zich over hun angsten heen zetten.”

De dienstbode Peter over de korzelige reacties van zijn vriendin Lise op zijn enthousiaste verhalen over zijn gesprekken met Vaslav. ‘Eerst dacht ik dat ze het zei uit onvrede over onze posities of uit jaloezie, later begreep ik dat er mensen bestaan die van het koesteren van dromen juist onrustig worden.’ (p. 91). “Ik heb mensen gekend die zich in een klein leven ingraven met kranten en boeken en daar niet uit willen komen. Die impuls missen. Het is best mogelijk om daarbinnen geluk te vinden.”

Dilemma

Met de stroom meegaan of je hart volgen, het is een dilemma in dit boek. Japin vindt in ieder geval dat Vaslav zowel geniaal is als zwak. “Hij kon zich ontzettend door de muziek laten meevoeren. Dat vergt heel veel van je. Als je niet krachtig genoeg bent, kun je eraan onder doorgaan. Wat ook niet helpt is dat hij heel jong op een balletschool zat en geadopteerd was door de tsaar. Daardoor kun je geen beslissingen nemen over je eigen leven. Hij deed wat hem gezegd werd.” Opmerkelijk is dat Vaslav trouwt met een vrouw, terwijl hij gevoelens heeft voor onder meer zijn ontdekker Sergej Pavlovitsj. Het is natuurlijk de tijdgeest om deze diepe gevoelens te ontkennen, en zijn vrouw heeft alles op alles gezet om met hem in het huwelijk te treden; toch komt nergens in het boek terug dat Vaslav hoogst ongelukkig was met zijn keuze. “Tsja, Vaslav was ook blij met zijn dochter en zijn vrouw.”

Op 19 januari 1919 maakt Vaslav zijn comeback. In het eerste deel van zijn voorstelling beeldt hij met woeste gebaren de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog uit, in het tweede deel gebruikt hij juist heel minimalistische gebaren. ‘Vier om precies te zijn. Steeds opnieuw dezelfde vier bewegingen, één op elk akkoord: eerst een afwerend gebaar, armen recht voor zich uitgestrekt, handpalmen naar ons gericht, als om zich te verdedigen. Verwelkomend dan, alsof hij ons wil omhelzen, spreidt hij zijn armen. Daarna een smeekbede, handen in wanhoop ten hemel. Ten slotte laat hij, met een smak, zijn armen vallen. Langs zijn lichaam hangen ze, verwoest, alsof de gewrichten zijn geknapt.’ (p. 344)

Tot slot zegt hij: ‘Nu is het kleine paardje moe’. Daarna breekt een periode van zwijgen aan, 31 jaar lang, zonder nog ooit te dansen.

In 1939, in een kliniek in Zwitserland, temidden van een troep journalisten, laat Vaslav echter nog een keer zijn befaamde zweefsprong zien. Er is een foto van. “Is het niet ontzettend hoopvol?”, zegt Japin. “Ik zie het als een symbool van het leven. Het is een werkelijkheid, een magonische werkelijkheid die we kunnen bereiken. Het is toch fantastisch als je kan scheppen tot wat je zelf kan zijn? Als je maar springt!”

—-
unknownArthur Japin, ‘Vaslav’, Uitgeverij De Arbeiderspers, 372 p., prijs: 21,95 euro. Verschijnt vanaf 6 september 2010. Zie ook www.arthurjapin.nl