‘Het schaap en de vlieg’ van Jan Eberg

Jan Eberg.
Jan Eberg.

Utrecht – Jan Eberg heeft een mooi kort verhaal ingezonden voor de Nationaleboekenblog.nl. Hij is docent, onderzoeker en schrijfbegeleider. Kennis en taal zijn de bouwstenen voor Tekst, Advies en Onderzoek; de drie terreinen waarop hij als zzp-er actief is voor opdrachtgevers. Zijn hobby’s zijn hardlopen, lezen, jazz, films en documentaires. Daarnaast schrijft hij opiniestukken, non-fictie en verhalen. In 2008 verscheen ‘Hardlopen is gratis’, in 2009 gevolgd door de verhalenbundel ‘Met frisse tegenzin’, te bestellen via www.freemusketeers.nl. Uit dit boek komt ook onderstaand verhaal. Momenteel werkt hij aan een verhalenroman. Zie ook www.janeberg.nl

Het schaap en de vlieg

Bij het opruimen vond ik een oude foto. Daar stond ik, samen met mijn vriend Japie. Ik was twaalf, Japie dertien. We hadden juist de lagere school afgerond. Ik had wel meer vriendjes, maar als het op buiten spelen aankwam, ging ik het liefst met Japie mee. Japie wist precies waar je goed kon boompje klimmen of slootje springen. Als we een hut gingen bouwen, zorgde Japie voor hout en gereedschap. Mijn moeder vond het niet goed dat ik zo vaak met Japie speelde. Ze zei dan dat het te gevaarlijk was om met een grotere jongen mee te gaan en dat ik in wie weet wat voor benarde situaties zou kunnen geraken. Ik zag dat gevaar niet. Bovendien was Japie niet groter dan ik. Hij was zelfs iets kleiner, maar dat compenseerde hij door zijn pet, die pet met de rode klep en afwisselend rode en vlekkerig witte vlakken die in een punt omhoog liepen. Hij droeg ’m altijd en verborg daarmee zijn stugge zwarte haar. Ik verdacht mijn moeder ervan Japie niet te mogen omdat hij in het woonwagenkamp woonde. Ze liet wel eens merken dat ze het maar raar vond hoe die mensen leefden. De mannen handelden in auto’s en de kinderen gingen laat naar bed. Ik vond dat juist spannend.

Op een warme zomerse zaterdag zaten Japie en ik te vissen. Japie was goed in vissen. Terwijl ik geduldig en hoopvol naar mijn dobber staarde, hengelde hij achter elkaar vissen uit het water. Hij legde me dan uit hoe hij dat deed. De truc was om eerst een paar kleine bolletjes brood in het water te gooien. Mooie ronde bolletjes, plakkerig gemaakt met een beetje spuug. Daarna liet hij voorzichtig zijn lijn in het water zakken met aan de haak een iets groter balletje brood. De vissen kwamen op de kleine bolletjes af en vochten om het heerlijke eten. Hun rivaliteit maakte ze roekeloos en zo hapte er een in het grotere bolletje. Japie zag precies aan zijn dobber wanneer een vis rond de haak hapte en sloeg op dat moment genadeloos aan. Ja, Japie viste als Huckleberry Finn. Het leven in de sloot had geen geheimen voor hem.

Toen we daar zo zaten, loom en tevreden, vroeg Japie me of ik wist of vissen konden voelen en denken.

‘Weet ik niet,’ zei ik. ‘Nooit over nagedacht. Ze zullen toch wel kunnen voelen, anders zwemmen ze steeds overal tegen aan.’

‘Ik zou in ieder geval geen vis willen zijn,’ zei Japie en in plaats van een toelichting te geven op zijn standpunt deed hij er starend het zwijgend toe.

‘Ik ook niet’, antwoordde ik. Indachtig de scherpe haak van de hengel, voelde ik aan mijn lip.

‘Wat voor dier zou je dan willen zijn?’ Japie keek me indringend aan omdat mijn antwoord op zich liet wachten. Ik zag nog steeds die arme vissen met doorboorde lippen voor me. Hoe nadenken je stemming kan veranderen. De vissen maakten plaats voor Japie’s donkerbruine ogen. ‘Nou?’

‘Een vlieg.’ Het was het eerste dat in me opkwam. Toch voelde het goed.

‘Een vlieg? Dan zou je zomaar opgegeten kunnen worden door een kikker!’

‘Misschien. Maar vliegen zijn heel snel. En het mooiste is dat je dan kunt vliegen. Overal naartoe. Als vlieg kan ik in de badhokjes van de meisjes kijken, of in de slaapkamer van de juf. Ik kan eten waar ik wil. Niets hoeft meer, alles mag. Ik ben vrij. De hele lucht is van mij.’ Ik zag het voor me en was bijzonder ingenomen met mijn keuze.

‘Oké, klinkt goed. Alleen jammer dat een vlieg maar hooguit een paar maanden leeft’.

‘Wat zou jij dan voor een dier willen zijn?’ Ik was benieuwd naar Japie’s keuze. Vast iets bijzonders, iets waar ik nooit op zou zijn gekomen.

‘Ik zou een schaap willen zijn.’ Zijn antwoord verbaasde me en stelde me teleur.

‘Waarom een schaap?’ Ik zag direct een blatend exemplaar voor me. Het werd met de andere schapen bijeen gedreven en kon niets anders dan zich voegen naar de wil van de herder.

‘Als schaap ben ik deel van de kudde. Samen maken we het gezellig. We kletsen wat af. Nadenken hoeft niet. De herder zorgt goed voor ons. We maken ons nuttig door onze wol en melk af te staan. We leven in harmonie met de mensen en de natuur.’

Japie’s diepzinnigheid trof me. Zijn beeld van het leven als schaap stond haaks op het mijne. Het paste hem. En zijn vriendelijkheid en wijsheid overtuigden me. Opnieuw kreeg ik een lesje in dierenpsychologie.

‘Dat zeg je mooi, Japie.’ Ik gaf me gewonnen, alsof we een wedstrijdje deden.

‘En een schaap kan heel oud worden.’ Daarmee werd het beslissende punt gemaakt. Hij had me op een indirecte manier laten weten dat hij me ook aankon als het om redeneren ging. Het was voor hem het bewijs dat hij een jaar eerder niet was blijven zitten omdat hij dom was, maar omdat het schoolsysteem niet deugde. Op school leerde je niet over het echte leven. Bovendien hadden de meesters en juffen de pik op hem. Hij kreeg geen beurten en moest altijd zijn pet af doen. Ze vonden hem onrustig en onaangepast.

Ik bewonderde Japie, maar verloor hem toch uit het oog. We gingen allebei naar een andere middelbare school. Toen zijn vader in de gevangenis terechtkwam, werd Japie ingelijfd door zijn broers en werkte hij in hun zaak aan auto’s en motoren. Later werd het woonwagenkamp opgeheven en de familie in een nieuwbouwwijk gehuisvest. Ik heb hem nooit meer gezien. Enkele jaren daarna vernam ik dat hij was overleden. Het was op het nieuws. Hij was betrokken bij een vechtpartij tijdens een uitgaansnacht. Twee jongens sloegen in op een derde jongen. Toen Japie ze uit elkaar wilde halen, trokken de twee hun mes en staken hem neer. Ze bleven op hem insteken. Hij werd voor de ogen van de omstanders afgeslacht. Als een mak schaap.

Was onze dierenidentificatie profetisch? Ik ben freelance fotograaf geworden. Ik ben vrij in het aannemen van werk en vlieg van opdracht naar opdracht. Het liefst fotografeer ik meisjes in badhokjes en slaapkamers.