Fernand Florizoone – Zee van naamloosheid

Door Thierry Deleu

Fernand Florizoone.
Fernand Florizoone.

Oostduinkerke – Toen Fernand en ik (samen met onze schattige vrouwtjes, Ida en Ginette) een eerste keer uit gingen eten (naar “De Pastorant” in Booitshoeke), kreeg ik van hem de bundel Zee van naamloosheid cadeau. Een mooi gebaar. Fernand kent mij nu al een beetje beter en hij zal dan ook niet verwonderd zijn dat ik dit precieus geschenk aan mijn bescheiden oordeel onderwerp. Omdat de gedichten mij getroffen hebben en om veel meer redenen, zoals respect, vriendschap.

De lezer is dus gewaarschuwd: dit is een subjectieve bespreking met een gezonde drang tot objectief oordelen.

Er bestaan drie wegen om iets te leren kennen: de analytische, de intuïtieve, en de weg van de openbaring. Poëzie onderscheidt zich van andere vormen van literatuur doordat ze de drie wegen tegelijk gebruikt. Bij Fernand Florizoone zijn het met nadruk de laatste twee.

De nacht

adagio,

Gods kleur bij maan,


geboeid de schrijvers

en onmondig

voor de genesis van water.

(p. 10)

Soms volstaat een enkel woord, een eenvoudig ritme om hem daar te brengen waar niemand voor hem was, verder misschien dan hijzelf gewenst had. Wie een gedicht schrijft, doet dat vooral omdat hij daarin op een uitzonderlijke manier zijn bewustzijn versnelt, zijn denken, zijn inzicht in het universum.

Florizoone heeft een taalverslaving en is wat wij een dichter noemen. Je kunt het ook hartstocht noemen, in de dauw van de ideeën dromen en toch bewust emoties en gedachten een stem geven. Hij bezit in de schaduw de verheven individualiteit, die niets eist van het leven. Het toeval is (ook in poëzie) niet te onderscheiden tussen de grote gevoelens.

Meeuwen vliegen

een verdieping hoger

in een indringend alleen zijn


als de dichters

die in een vertikaal ogenblik

even niet meer van de aarde zijn.

(p. 35)

De dichter heeft schroom vanwege zijn eerbied voor het woord, schroom ook vanwege zijn gedachte over de positie van de lezer. Hij behandelt de lezer als een passant die recht heeft op kracht van inleving en hij deelt met hem/haar gevoelservaring en schoonheid. Zo schrijft hij poëzie.

Hij zwicht voor prangende thematiek, voor weerstanden in de samenleving, in zichzelf. Een wereld op drift, een wereld die bezig is uiteen te vallen- en daar in die wereld staat de dichter -.

De wereld van Fernand Florizoone is ogenschijnlijk duidelijk: de zee, de Moeren, de Polders, vogels en enkele vrienden maken de bevolking uit. Ogenschijnlijk. Er is meer dan wat er staat: ontgoocheling, ingehouden woede, angst, liefde, geloof. Veel is niet wat het lijkt. Ontroering, verwachtingen, herinneringen, geloof, symboliek, zitten geborgen in schaarse woorden, weloverwogen, vakkundig.

De stijl van Fernand Florizoone is nooit slordig, er is nooit kans op irritatie, zijn beelden zijn nooit gekunsteld of onjuist. Hij creëert geen nieuwe wereld, hij hernieuwt hemel en aarde, zee en land. Hij doet ons anders kijken, anders denken, anders genieten, anders voelen. Hij wil erover vertellen, omdat hij van mensen houdt.

De zee is even naamloos als de dichter die waadt in een zee van naamloosheid. Naamloosheid is macht. Naamloos kun je dingen zeggen en dingen verzwijgen. Naamloos kun je aan zee en land nieuwe namen geven, het naamloze benoemen. Dit doet Florizoone met elk gedicht. Hij benoemt de gevoelens die de dingen bij hem oproepen. Wanneer hij zee zegt, bedoelt hij niet de grote plas water, maar verte, nieuwe horizon, het oude testament, maar ook liefde, dans, spelende kinderen. De tover breekt door zijn vers, het naamloze schrijft zijn naam in gevoelsaandoeningen, in een alfabet dat zesentwintig gevoelens, gewaarwordingen, gedachten telt. Florizoone leert ons herkennen wie en wat er te midden van deze gevoelswereld staat: God, het orakel, de mythe, de eeuwigheid, het paradijs dat geen paradijs is, de mensen aan wie hij ruimte geeft.

Naamloosheid

cocon

van verpopte woorden,

(p. 18)

naamloos ligt geluk te rapen

van ziel tot zee,

twee maten eeuwigheid.

(p. 24)

Een meeuw

met wat zee

in haar vleugel


vliegt

over mijn omheining

naar naamloosheid.

(p. 34)

Eeuwenlang is het landschap bron en inspiratie. Tal van dichters bezongen de natuur in al haar paradijselijke verschijningen. Florizoone wendt echter het landschap aan als een medium, om achter de dingen te kunnen kijken, om de afstand te verkorten tussen hier en veel verder af, de wereld aan de overkant.

Zonder het lyrische te schuwen observeert hij het landschap met een blik die zowel verwondering als verlangen uitdrukt. Hij beschrijft natuur – hier vooral de zee – die geen natuur meer is, maar reis, Genesis, oermoeder, moederschap, ontmoetingsplaats, sleutelwoord, tuin van Eden, geluk, overzee, vrijheid.

Zee

orakel van water

hermetisch


oermoeder

schoot

die niet sterft,

(p. 12)

De zee

denkt na

in eigen diepten,

Winden

waaien

een ontmoetingsplaats:

(p. 17)

De wijze waarop hij dit doet, is zo subtiel, zo puur, zo uitgebalanceerd, de woordspaarzaamheid zo veelomvattend en veelzeggend, dat alleen een grote dichter die uitdaging aankan.

Fernand Florizoone, Zee van naamloosheid, Poëziecentrum, Gent, 1991