Het juk der vrijgevochtenheid

Een desolate plek voor ‘Een soort familie’

Door Peter le Nobel

Kees van Beijnum raakte voor zijn boek ‘Een soort familie’ geïnspireerd door het desolate landschap van West-Friesland. Foto: Peter le Nobel
Kees van Beijnum raakte voor zijn boek ‘Een soort familie’ geïnspireerd door het desolate landschap van West-Friesland. Foto: Peter le Nobel
Overveen – Kees van Beijnum is in de zestiger en zeventiger jaren opgegroeid in een café-hotel aan de Amsterdamse Warmoesstraat. Tot nu toe hebben zijn verhalen zich veelal in de grote stad afgespeeld. In dat opzicht is de locatie in het verhaal ‘Een soort familie’ opmerkelijk: Wieringen, West-Friesland, een desolaat stukje Nederland dat onlangs in het nieuws was gekomen vanwege het hoge aantal zelfmoorden onder jongeren.

Een aanknopingspunt is helemaal achterin het boek: ‘Mijn dank gaat uit naar mijn vriend Johan, die mij precies op het juiste moment meenam naar zijn geboortegrond.’ “Ik ken hem al 46 jaar. Op mijn negende kwam hij naar Amsterdam en leerden wij elkaar kennen. Daarvoor woonde hij in Wieringen. De vriendschap bestaat al zo lang dat wij heel veel van elkaar weten. Ik kon hem in Amsterdam alles laten zien waar ik persoonlijke herinneringen aan had. Zijn verleden kende ik alleen uit zijn verhalen. Hij zei een keer: ‘Vind je het niet leuk om de kant van Wieringen op te gaan?’ Wij zijn erheen gereden en zo beleefden wij een sentimental journey. Het isolement van die plek leek mij ideaal om het verhaal daar af te laten spelen. Ik was al een eind op weg in het nadenken over het boek, en ik begreep dat het gezin in het verhaal, waar het ook zou wonen, nooit helemaal op zijn plek zou zitten. De locatie is echt aan de rand van Noord-Holland, en was zelfs een voormalig eiland geweest. De plek prikkelde mij om te kijken of ik het landschap op een toepasselijke manier kon oproepen, met die lange rechte wegen om op te fietsen, het blootvallen van het wad, bepaalde geuren die er hingen. Dat sprak mijn schrijvershart aan.”

Het boek verhaalt over twee broers in een pacifistisch gezin dat zich inzet voor ‘de beweging’ en de nucleaire ontwapening in de jaren tachtig. Het levert tragi-komische scènes op, zoals de tafelgesprekken die overlopen van ratio, maar tegelijk ook de onmacht van de ouders tonen om anderen te accepteren zoals ze zijn. “De jongste broer, Teun, is de spil in het gezin. Hij ziet zichzelf als een vredesmacht tussen de strijdende partijen en doet zijn best om het iedereen naar de zin te maken.”

Schrijnend is soms het manipulatief gedrag van moeder om haar kroost in het gareel te houden. ‘Alleen een slecht mens heeft leugens nodig’, zegt ze tegen Teun, als hij zijn broer niet wil verraden die het heeft gewaagd om stiekem toch naar de jaarlijkse kermis te gaan, volgens de ouders ‘dom en zinloos vermaak’.

Vrijgevochten gezinnen

“Als ik terugkijk op mijn adolescentiejaren, dan herinner ik me mij die vrijgevochten gezinnen. Eentje bestond uit een vader als beeldhouwer, een moeder die ook iets deed in de kunst, en kinderen die vrij konden opgroeien. Alles kon. Daar keek ik toen ontzettend tegenop. Vele jaren later ontdekte ik dat de jongste zoon niet helemaal had beantwoord aan de verwachtingen van zijn milieu. Hij hield niet van kunst, hield van de foute tv-programma’s, de verkeerde mensen of had anderszins de ballotage niet gehaald. Eigenlijk bleken die gezinnen juist heel benepen te zijn. Die herinneringen zijn altijd met me meegereisd. Uitgangspunt van mijn verhaal was een gezin dat op het oog de juiste dingen doet. Daarbij heeft het ook nog eens een keer een groot ideaal om de hele wereld te verbeteren. De vrijheid van meningsuiting staat hoog in het vaandel, maar de ouders zijn niet in staat om adequaat te reageren als hun oudste zoon Hans zich aan hun verworvenheden begint te onttrekken.”

Afkomst

In veel boeken van Van Beijnum heeft afkomst een bepalende invloed op de personages. “Het gekke is: ik zoek het zelf nooit onbewust op. Het zijn inderdaad bijna altijd personages die in een bepaald milieu leven, tot de ontdekking komen dat ze iets anders willen, en zich aan dat milieu proberen te ontworstelen. Ze willen iets anders, iets nieuws, maar weten bij het nieuwe ook niet echt aansluiting te vinden. De positie is vaak dat ze nooit bij datgene horen waar ze uit voortkomen, en nooit bij datgene komen waar ze bij zouden willen horen. De personages zijn gedwongen om een positie als buitenstaander in te nemen, en als buitenstaander heb je over het algemeen een goed zicht op de verschillende anderen, maar minder op jezelf.”

“Ik was zelf als kind in een café-hotel opgegroeid. Dan heb je die positie ook altijd. Het was per definitie een plek voor volwassenen, en als je daar als kind bij zit, dan hoor je er als zoon van de bazin enerzijds wel bij, maar ben je anderzijds onderdeel van het meubilair: je bent er wel, maar doet niet mee. Je gaat kijken, observeren.”

In het programma ‘De wieg van…’ van AT5 keerde Van Beijnum terug naar zijn geboorteplek en keek hij samen met de nieuwe café-eigenaar naar zijn oude plekjes in het pand. Hij vertelde hoe hij tegenover zijn klasgenootjes uit de rijkere buurten zolang mogelijk vaag bleef over de straat waarin hij woonde. ‘In het centrum woon ik’, zei hij lange tijd. Eén uitspraak viel in het programma op: de schrijver wist niet of hij ooit aan schrijven was begonnen als hij in Osdorp had gewoond.

“Dat is inderdaad zo. Ik heb het me weleens afgevraagd, want hoe kan het zo zijn dat ik begonnen ben met schrijven, terwijl ik in mijn omgeving niemand kon vinden die ook die aspiraties had? Ik had niemand aan wie ik me kon spiegelen. Ik heb in een tijd geleefd waarin je niet snel antwoorden kreeg. Je kreeg indrukken, ze kwamen allemaal bij me binnen, door te kijken naar mensen. Ik denk wel dat de behoefte om te schrijven in het café is ontstaan.”

Beschrijven

Een kenmerkende stijl van Van Beijnum is zijn vermogen om alles uitgebreid te beschrijven. Mensen lopen niet zomaar van A naar B. “Ik vind het heel belangrijk om een bepaalde sfeer op te roepen, te beschrijven wat de personages ruiken en horen. Ik heb ook wel gehoord dat ik veel over het licht schrijf. Het zou kunnen dat ik heel filmisch, fotografisch kijk. Als je de parasol op dit terras ziet, dan zie ik niet alleen dat ding, maar ook de schaduw van de bladeren van de boom ernaast.”

Van Beijnum schrijft naast boeken ook scenario’s. “Mijn scenario’s zijn juist heel summier. Regisseurs en cameramensen hebben er over het algemeen de pest aan als in scenario’s alles uitvoerig wordt beschreven. Ik heb weleens gehoord: je boeken zijn heel filmisch, je scenario’s poëtisch’.”

Drie boeken van Van Beijnum zijn inmiddels verfilmd: ‘Ordening’, ‘Dichter op de Zeedijk’ en ‘De oesters van Nam Kee’. Op andere boeken zijn opties genomen, waaronder ‘Een soort familie’, dat ID Film graag op het witte doek wil brengen.

Openingsscène

Een onderdeel uit het laatste boek zou Van Beijnum graag als openingsscène van de film willen zien: ‘het zwijnenbad’. De twee broers lopen de Wadden op en smeren zich van top tot teen in met modder en laten daarna alles drogen in de zon. Op de kaft van het boek is ook een bemodderd gezicht te zien. “Ik sprak erover met een redacteur van De Bezige Bij. Ik zei: ‘Als dit nou geen boek was, maar een film, dan zou ik met het ‘zwijnenbad’ beginnen’, omdat het beeld van het verhaal zo sterk is. Je roept de hele wereld van de Waddenzee op, de fysieke ervaring van jongeren die zich insmeren met modder, en het beeld van twee broers, met een jongen die helemaal gelukkig is in zijn rol als jongere, zwakkere broer en tegen de oudste kan opkijken. Het is een moment van volmaaktheid, sereniteit. Hoe triest je jeugd ook is, er is altijd wel een moment van geluk. Bij de een is dat het ijsje halen met tante en bij deze personage dan het modderbad.”

—-
Een soort familieKees van Beijnum, ‘Een soort familie’, Uitgeverij De Bezige Bij, ISBN gebonden versie: 978 90 234 5746 6, prijs: 24,90 euro, ISBN paperback: 978 90 234 5876 0, prijs: 19,90 euro. 438 p.