De verhalen blijven over

Stefan van Dierendonck – ‘En het regende brood’
Door Peter le Nobel
Nijmegen – Het priesterschap moest Stefan van Dierendonck achter zich laten: door een glutenintolerantie. Van een enkele hostie werd hij al ziek. “De diagnose werd op mijn 28e gesteld. Het is raar: altijd voel je je moe en heb je last van je darmen. Je hele leven lang denk je dat ziek zijn gezond is.”
“Mijn eerste exemplaar kreeg ik de donderdag voor Manuscripta in handen. Mijn redacteur overhandigde het mij op het Centraal Station in Utrecht. Ik pakte hem meteen uit. Dit voelde goed. Toen voelde ik mij echt schrijver. Ik was geen hobbyist meer, geen fantast. In plaats van een droom is er nu een object: 403 gram”, weegt hij in zijn handen. “En dat is mooi om te voelen. Ik ben wel dromerig ingesteld, maar nu heb ik echt iets in handen en dat is prettig.”
“Ik ben nu een heel ander mens dan toen. Het is niet dat ik een-op-een de ene roeping met de andere heb vervangen, het ene levensdoel met het andere. Vroeger dacht ik: als je jezelf aan God geeft, dan komt het goed. Ik zat op een stoel met één poot te balanceren. Ik heb nu een rijker leven: ik heb een huis, een relatie, een huisdier, vrienden, familie, een iPhone, allemaal dingen die je helpen. Het leven dat eerst heel eendimensionaal was, is nu een multiversum. Ja, het klopt, ik weet de hiërarchie van de dingen, maar ik noem bewust alles door elkaar.”
“Vroeger was ik dogmatisch in mijn ogen. Inmiddels ben ik veel wijzer en creatiever geworden. Er komen andere woorden uit mij. Het is niet de eeuwige waarheid, ik praat niet meer ex cathedra. De woorden zijn relatiever, tijdelijker van aard. In eerste instantie is dat heel beangstigend. Het heeft mij jaren gekost om vertrouwen te hebben in mij om mijn eigen verhaal te vertellen. Ook het schrijven op zich was een lange weg. Ik heb wel vijf jaar over het boek gedaan, en ik heb meer dan tien jaar dagelijks mijn dagboek bijgehouden om in het schrijven vertrouwen te krijgen. Dit verhaal over mijn priesterschap moest ik eerst vertellen. Het is een verhaal dat zo groot is… het moest als eerste uit de weg geruimd worden voor de volgende verhalen kunnen komen. Ik heb nog zoveel andere dingen te vertellen. Ik denk al na over een volgend boek.”
De innerlijke noodzaak
“Het doet er toe wat je zegt. Niet alleen door de innerlijke noodzaak dat ik een verhaal te vertellen heb, maar ook omdat het de moeite waard is voor anderen. dat het ook noodzakelijk is voor anderen. Familie en vrienden hebben mij daarin gestimuleerd.”
“Die innerlijke noodzaak is wel de motor. En vervolgens vraag je je af: hoe kun je een geloofwaardig verhaal houden dat iemand zich ook in deze tijd verbindt aan de Rooms-Katholieke kerk? Het is een uitdaging om dat idealisme over te brengen.”
“Het is niet voor niets dat ik het verhaal van Clemens door pastor Johannes heb laten vertellen. Het past in de christelijke traditie om verhalen van horen zeggen over te leveren, met de bijbehorende strijd over wie het laatste woord heeft, zoals je ziet tussen Johannes en abt Sebastiaan.”
Het laatste avondmaal
“Op het laatste avondmaal nam Jezus waarschijnlijk gewoon voedsel wat voorhanden was. Het zal roggebrood zijn geweest, of gerstebrood. Dat kan je breken. Tarwebrood, waarin gluten zitten, kun je alleen scheuren. Via de kerkgeleerde Thomas van Aquino is pas sinds de zestiende eeuw bepaald dat Jezus tarwemeel moet hebben gegeten en dus moesten hosties die bevatten. Nu zit ook in gerstebrood gluten hoor, maar je ziet hoe opvattingen in de loop van de tijd steeds enger worden. En dat tarwemeel ongezond kon zijn weten we pas sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw. De Nederlandse kinderarts Dicke heeft dat ontdekt.”
Het hoogtepunt
“Over glutenvrije hosties valt niet te praten. Tegelijkertijd is de hostie een geweldig groot symbool. Het is het hoogtepunt binnen de katholieke kerk. Je hele leven heb je opgegeven, je bezittingen, je vrijheden, je liefde, alles voor de kerk. Wat je overhoudt is de eucharistie. Daar ervaar je die bijzondere gebeurtenis om de hosties aan mensen uit te mogen delen. Als die hostie opeens giftig wordt, dan moet je een wel heel sterk geloof hebben om dat leven vol te houden. Ik ken een rector van een priesteropleiding in het bisdom Roermond. Hij heeft ermee leren leven.”
‘Stel je eens voor: Ik ben ziek van brood. Ziek van het heilig Brood. Ziek van God.’ (p. 204)
De breuk
“Naar verwachting 70.000 mensen in Nederland hebben coeliakie, die glutenintolerantie. Bij ongeveer 10.000 mensen is die aandoening vastgesteld. Er zijn veel mensen die pas heel laat ontdekken dat zij niet tegen gluten kunnen. Al die jaren woog ik nog geen 60 kilo en voelde ik mij altijd moe. Ik heb het priesterschap nog even volgehouden, maar rond mijn dertigste ben ik van mijn geloof afgevallen. Ik was door de bisschop naar Rome gestuurd om kerkgeschiedenis te studeren, zodat ik andere priesters kon opleiden. Een Indiase pastor droeg de mis op. Ik zag hem met heel veel geloof de hostie opheffen. Hij bleef maar roepen dat het lichaam van Christus gezondheid brengt. Ik dacht: ‘Dat is mooi niet waar.’ Juist tijdens die eucharistieviering was mijn geloof gebroken. Het was echt een helder moment voor mij. Ik realiseerde mij ook: ‘Ojee, nu moet ik echt stoppen.’ Het duurde lang voor het zover was dat ik afscheid kon nemen van de katholieke kerk. Ik heb toch twintig jaar van mijn leven gegeven. Maar ik wist toen dat het niet meer goed kwam. Eigenlijk is het best gek: door het geloof van een ander wist ik dat het bij mij voorbij was.”
De verhalen
“Voor mijzelf heb ik God niet nodig om mijn leven te leven. God is een complex woord. Als je mij vraagt: geloof je in liefde? Ja. Moet je moreel goed handelen? Zeker. Ga je naar de kerk? Ja, ik ga er naartoe als mijn neefje zijn eerste communie doet. Is er maar een kerk die het ware geloof heeft? Dat geloof ik niet. Kuitert heeft ooit gezegd: ‘Alles wat er over boven wordt gezegd, komt van beneden.’ Dat lijkt me heel reëel. Als je het hebt over God, dan zegt het meer over de mensen dan God zelf. Ik ben geen atheïst, geen militante ontkenner. Ik geloof wel dat mensen verhalen nodig hebben, bijvoorbeeld het verhaal dat Christus opkomt voor een vrouw die gezondigd heeft. ‘Zij die zonder zonde is, werpe de eerste steen’; dat is een pleidooi voor barmhartigheid. Wij leven in een maatschappij die steeds harder lijkt te worden, met strengere straffen. Wij kunnen leren van een verhaal over barmhartigheid. Je kunt me beschouwen als een humanist.”
Stefan van Dierendonck staat op. Hij weet een kapelletje in de buurt voor een foto. Eerder werd hij door een regionaal dagblad gefotografeerd in de Sint Janskerk in Den Bosch. “Misschien is het net te cliché.” In het kleine kapelletje neemt hij plaats op een bankje, bij de kaarsen en een Mariabeeld. De muren hangen vol foto’s van mensen voor wie gebeden wordt. “Eigenlijk is dit het mooiste. Mensen hebben er zelf een invulling aan gegeven.”

Stefan van Dierendonck – ‘En het regende brood’

Stefan van Dierendonck: 'De woorden zijn relatiever, tijdelijker van aard.' Foto: Peter le Nobel
Stefan van Dierendonck: 'De woorden zijn relatiever, tijdelijker van aard.' Foto: Peter le Nobel
Door Peter le Nobel
Nijmegen – Het priesterschap moest Stefan van Dierendonck achter zich laten: door een glutenintolerantie. Van een enkele hostie werd hij al ziek. “De diagnose werd op mijn 28e gesteld. Het is raar: altijd voel je je moe en heb je last van je darmen. Je hele leven lang denk je dat ziek zijn gezond is.”
“Mijn eerste exemplaar kreeg ik de donderdag voor Manuscripta in handen. Mijn redacteur overhandigde het mij op het Centraal Station in Utrecht. Ik pakte hem meteen uit. Dit voelde goed. Toen voelde ik mij echt schrijver. Ik was geen hobbyist meer, geen fantast. In plaats van een droom is er nu een object: 403 gram”, weegt hij in zijn handen. “En dat is mooi om te voelen. Ik ben wel dromerig ingesteld, maar nu heb ik echt iets in handen en dat is prettig.”
“Ik ben nu een heel ander mens dan toen. Het is niet dat ik een-op-een de ene roeping met de andere heb vervangen, het ene levensdoel met het andere. Vroeger dacht ik: als je jezelf aan God geeft, dan komt het goed. Ik zat op een stoel met één poot te balanceren. Ik heb nu een rijker leven: ik heb een huis, een relatie, een huisdier, vrienden, familie, een iPhone, allemaal dingen die je helpen. Het leven dat eerst heel eendimensionaal was, is nu een multiversum. Ja, het klopt, ik weet de hiërarchie van de dingen, maar ik noem bewust alles door elkaar.”
“Vroeger was ik dogmatisch in mijn ogen. Inmiddels ben ik veel wijzer en creatiever geworden. Er komen andere woorden uit mij. Het is niet de eeuwige waarheid, ik praat niet meer ex cathedra. De woorden zijn relatiever, tijdelijker van aard. In eerste instantie is dat heel beangstigend. Het heeft mij jaren gekost om vertrouwen te hebben in mij om mijn eigen verhaal te vertellen. Ook het schrijven op zich was een lange weg. Ik heb wel vijf jaar over het boek gedaan, en ik heb meer dan tien jaar dagelijks mijn dagboek bijgehouden om in het schrijven vertrouwen te krijgen. Dit verhaal over mijn priesterschap moest ik eerst vertellen. Het is een verhaal dat zo groot is… het moest als eerste uit de weg geruimd worden voor de volgende verhalen kunnen komen. Ik heb nog zoveel andere dingen te vertellen. Ik denk al na over een volgend boek.”
De innerlijke noodzaak
“Het doet er toe wat je zegt. Niet alleen door de innerlijke noodzaak dat ik een verhaal te vertellen heb, maar ook omdat het de moeite waard is voor anderen. dat het ook noodzakelijk is voor anderen. Familie en vrienden hebben mij daarin gestimuleerd.”
“Die innerlijke noodzaak is wel de motor. En vervolgens vraag je je af: hoe kun je een geloofwaardig verhaal houden dat iemand zich ook in deze tijd verbindt aan de Rooms-Katholieke kerk? Het is een uitdaging om dat idealisme over te brengen.”
“Het is niet voor niets dat ik het verhaal van Clemens door pastor Johannes heb laten vertellen. Het past in de christelijke traditie om verhalen van horen zeggen over te leveren, met de bijbehorende strijd over wie het laatste woord heeft, zoals je ziet tussen Johannes en abt Sebastiaan.”
Het laatste avondmaal
“Op het laatste avondmaal nam Jezus waarschijnlijk gewoon voedsel wat voorhanden was. Het zal roggebrood zijn geweest, of gerstebrood. Dat kan je breken. Tarwebrood, waarin gluten zitten, kun je alleen scheuren. Via de kerkgeleerde Thomas van Aquino is pas sinds de zestiende eeuw bepaald dat Jezus tarwemeel moet hebben gegeten en dus moesten hosties die bevatten. Nu zit ook in gerstebrood gluten hoor, maar je ziet hoe opvattingen in de loop van de tijd steeds enger worden. En dat tarwemeel ongezond kon zijn weten we pas sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw. De Nederlandse kinderarts Dicke heeft dat ontdekt.”
Het hoogtepunt
“Over glutenvrije hosties valt niet te praten. Tegelijkertijd is de hostie een geweldig groot symbool. Het is het hoogtepunt binnen de katholieke kerk. Je hele leven heb je opgegeven, je bezittingen, je vrijheden, je liefde, alles voor de kerk. Wat je overhoudt is de eucharistie. Daar ervaar je die bijzondere gebeurtenis om de hosties aan mensen uit te mogen delen. Als die hostie opeens giftig wordt, dan moet je een wel heel sterk geloof hebben om dat leven vol te houden. Ik ken een rector van een priesteropleiding in het bisdom Roermond. Hij heeft ermee leren leven.”
‘Stel je eens voor: Ik ben ziek van brood. Ziek van het heilig Brood. Ziek van God.’ (p. 204)
De breuk
“Naar verwachting 70.000 mensen in Nederland hebben coeliakie, die glutenintolerantie. Bij ongeveer 10.000 mensen is die aandoening vastgesteld. Er zijn veel mensen die pas heel laat ontdekken dat zij niet tegen gluten kunnen. Al die jaren woog ik nog geen 60 kilo en voelde ik mij altijd moe. Ik heb het priesterschap nog even volgehouden, maar rond mijn dertigste ben ik van mijn geloof afgevallen. Ik was door de bisschop naar Rome gestuurd om kerkgeschiedenis te studeren, zodat ik andere priesters kon opleiden. Een Indiase pastor droeg de mis op. Ik zag hem met heel veel geloof de hostie opheffen. Hij bleef maar roepen dat het lichaam van Christus gezondheid brengt. Ik dacht: ‘Dat is mooi niet waar.’ Juist tijdens die eucharistieviering was mijn geloof gebroken. Het was echt een helder moment voor mij. Ik realiseerde mij ook: ‘Ojee, nu moet ik echt stoppen.’ Het duurde lang voor het zover was dat ik afscheid kon nemen van de katholieke kerk. Ik heb toch twintig jaar van mijn leven gegeven. Maar ik wist toen dat het niet meer goed kwam. Eigenlijk is het best gek: door het geloof van een ander wist ik dat het bij mij voorbij was.”
De verhalen
'Als je het hebt over God, dan zegt het meer over de mensen dan God zelf.' Foto: Peter le Nobel
'Als je het hebt over God, dan zegt het meer over de mensen dan God zelf.' Foto: Peter le Nobel

“Voor mijzelf heb ik God niet nodig om mijn leven te leven. God is een complex woord. Als je mij vraagt: geloof je in liefde? Ja. Moet je moreel goed handelen? Zeker. Ga je naar de kerk? Ja, ik ga er naartoe als mijn neefje zijn eerste communie doet. Is er maar een kerk die het ware geloof heeft? Dat geloof ik niet. Kuitert heeft ooit gezegd: ‘Alles wat er over boven wordt gezegd, komt van beneden.’ Dat lijkt me heel reëel. Als je het hebt over God, dan zegt het meer over de mensen dan God zelf. Ik ben geen atheïst, geen militante ontkenner. Ik geloof wel dat mensen verhalen nodig hebben, bijvoorbeeld het verhaal dat Christus opkomt voor een vrouw die gezondigd heeft. ‘Zij die zonder zonde is, werpe de eerste steen’; dat is een pleidooi voor barmhartigheid. Wij leven in een maatschappij die steeds harder lijkt te worden, met strengere straffen. Wij kunnen leren van een verhaal over barmhartigheid. Je kunt me beschouwen als een humanist.”

Stefan van Dierendonck staat op. Hij weet een kapelletje in de buurt voor een foto. Eerder werd hij door een regionaal dagblad gefotografeerd in de Sint Janskerk in Den Bosch. “Misschien is het net te cliché.” In het kleine kapelletje neemt hij plaats op een bankje, bij de kaarsen en een Mariabeeld. De muren hangen vol foto’s van mensen voor wie gebeden wordt. “Eigenlijk is dit het mooiste. Mensen hebben er zelf een invulling aan gegeven.”
—-
omslagvandierendonckStefan van Dierendonck, ‘En het regende brood’, Uitgeverij De Bezige Bij. Prijs: € 18,90. ISBN: 9789060059760.