De onmacht tot intimiteit

Els Moors zoekt en tast naar levendige personages  in ‘Vliegtijd’

Els Moors: 'De dingen moeten groeien, in het schrijven en in de liefde.' Foto: Gelya Bogatishcheva
Els Moors: 'De dingen moeten groeien, in het schrijven en in de liefde.' Foto: Gelya Bogatishcheva

Door Peter le Nobel

Utrecht – ‘Beduimelde serveerster’, ‘Hysterisch opgedirkte vrouwen’. Net als in haar bundel ‘ Er hangt een hoge lucht boven ons’  en in haar boek ‘Uit verlangen naar een eiland’  weet Els Moors in haar nieuwe verhalenbundel ‘Vliegtijd’ met enkele trefzekere beschrijvingen een complete sfeer op te roepen. De beschrijvingen lijken sober, evenals het verloop van de verhalen, maar daarachter zweemt een complexe wereld van onmacht tot intimiteit.

Zowel in je eerste als je tweede verhaal komt de volgende zin terug: ‘Mannen en vrouwen, het kan niet de bedoeling zijn dat we elkaar als kannibalen opeten’. Licht dat toe.

“Ik heb het heel bewust gedaan. Soms laten mensen in korte verhalen bepaalde personages terugkeren, waardoor je het gevoel van een heel boek krijgt, maar ik liet me tot herhaling van die zin verleiden, om aan te geven dat het hele boek in feite over hetzelfde gaat. De drie verhalen sluit ik ook af met een brief. Ik laat de lezer een beetje in verwarring. Je kunt het inderdaad lezen als een toegift op het derde verhaal, wat over brieven gaat, maar  de bedoeling met de brief is dat het over alledrie de verhalen kon gaan, omdat ik vond dat je bij alle verhalen zou kunnen denken dat het nooit wat zou worden tussen de personages. Toen vond ik het belangrijk dat de brief zou aangeven dat het niet zo is, dat er op een bepaalde manier wat gebeurt, het ontstaan van een verwantschap tussen man en vrouw. Het gaat eigenlijk nog meer daarover dan dat het echt over liefde gaat. De brief is in die zin een positieve tegenhanger op de herhalende zin. We moeten elkaar inderdaad niet opvreten. Er moet ook liefde zijn.”

De vrouwelijke personage is daar ook heel kritisch op, maar het lijkt daarbij alsof ze in haar eigen wereld leeft.

“Het personage is onzeker. De liefde moet zo perfect zijn dat alle vriendschappen en alle kleine dingen heel banaal worden. Ik wilde haar daarbij niet negeatief afschilderen, maar wel laten zien hoe ze in die situatie terechtkomt.”

Ik proef er ook een zekere onmacht tot intimiteit uit.

“Dat is de samenvatting van wat er gebeurt, en waar het mij dan ook eigenlijk om te doen is, komt voort uit een soort grotere onmacht; het maken van het boek zelf. Ik heb zo’n manier van werken dat dingen moeten groeien. Ik ben niet iemand die een strak plan heeft. Ik vind het ook heel moeilijk om je personages en het verhaal echt levendig te maken. Daarom moet ik echt al tastend zoeken. Het verlangen naar intimiteit hangt samen met het boek zelf; je wilt iets creëren en levend maken. Zoiets kun je niet met je verstand afdwingen, en dat geldt ook voor relaties tussen mensen.”

Is dat niet de strijd van het personage? Hoe kan ik intuïtief iets zo levend mogelijk maken?

“Ja. Ik denk dat het iets heel essentieels is. Je moet ook als schrijver het gevoel hebben dat je het boek tot een vriend hebt gemaakt, dat je ineens iemand kent of begrijpt, zelfs als het verhaal niet autobiografisch is. Je kunt met iemands ogen meekijken. Daarin zit de intimiteit, in een goed boek. En voor mij is het een  metafoor voor hoe je in de liefde die intimiteit probeert te vinden. Ik heb eerder twee boeken gelezen die mij voor dit boek hebben geïnspireerd: ‘Ask the dust’  van Jane Fonte en ‘Het nieuwe onkruid’  van Louis Paul Boon, waarin hij schrijft hoe hij een zeventienjarig meisje op het station heeft ontmoet.”

Is  er alleen een intimiteit tussen het boek en de schrijver of ook tussen het boek en de lezer?

“Tussen het boek en de schrijver.”

Geen ménage à trois?

“Haha. Iedere keer als ik aan de lezer dacht, ging het schrijven heel slecht. Er komt wel een moment waarop je afstand doet van een verhaal, maar eerst ben je met het schrijven zelf bezig. Je onderzoekt hoe je in ieder geval naar gevoel de dingen zo autobiografisch mogelijk kan weergeven, waarbij je personages echt levendig worden in de taal. Daar kreeg ik ook een compliment over en daardoor kan ik dit nu ook zelf formuleren. Niets is zo erg dan dingen teruglezen en denken: ‘Zo was het helemaal niet, dat was de essentie niet.’ Je moet toch recht doen aan een bepaalde werkelijkheid, ook al maak je een vertaalslag. Dat vond ik ook het moeilijkste om te doen, om de waarheid zo in verhalen te manipuleren dat je kunt aangeven: hier begint het en daar stopt het. De eerste tien pagina’s moet ik vaak weghalen en ook het eind moet ik altijd goed timen. Dat is ook de reden dat ik voor de titel ‘Vliegtijd’ heb gekozen: de verhalen gaan over het moment, voor je van de ene naar de andere plek gaat, over de vlucht zelf.”

Voor deze verhalenbundel is in 2008 je roman ‘Het verlangen naar een eiland’ gepubliceerd. Gaat dat boek in feite ook niet over intimiteit?

“Ja, maar ik zat toen op een ander denkspoor. Ergens komen de thema’s wel overeen, maar toen wilde ik een soort antisprookje maken met een slecht einde. Ik denk dat ik mij toen meer bezighield met het schrijven zelf, maar er zijn wel dingen die in beide boeken hetzelfde zijn en bij me horen. Ik vind het fijn om de dialogen, en het groteske van relaties tussen mensen, scherp te stellen, zodat het een beetje pijn doet voor iemand die het leest, maar mijn concentratie in het laatste boek lag ergens anders.”

Je won de Herman de Coninckprijs met je debuutbundel ‘Er hangt een hoge lucht boven ons’ uit 2006. Je brak door als dichter. Populair is het gedicht over de konijnen die het dak plat ‘fuckten’. Daarin komen ook de woorden voor: ‘Tandpasta nutella land’, in het Frans vertaald: ‘Ce pays dentifrice nutella’. Op welk land doelde je toen?

“Op Nederland, want daar woonde ik toen, maar het slaat in feite op elk Europees land. Het ging mij om het hele comsumptie-idee dat je altijd wat moet doen. Als je nutella eet, moet je weer je tanden poetsen, en als je eet, moet je weer lijnen, en dan weer dronken worden. Dat eindeloos, vervelend doorgaan. Het gaat over de luxesituatie die weer problemen veroorzaakt.”

Je hebt nu een dichtbundel, een roman en een verhalenbundel geschreven. Wat zal je volgende genre zijn?

“Het eerst wat bij de uitgeverij staat gepland is poëzie, maar ik zit ook te springen om proza te schrijven, maar voor een boek moet je langer zitten en duurt het minstens twee of drie jaar voor je klaar bent, dus ik heb de tijd. Bovendien heb ik tijdens het proza schrijven ook wel gedichten gemaakt, maar om een bundel te maken moet je ook een bepaald moment pakken. Het kan door elkaar, maar er zal toch gesplitst moeten worden.”

Wat bracht je terug naar België?

“Een beetje de paniek. Ik dacht: ‘Als ik nu te lang in Nederland blijf, dan wordt het waarschijnlijk moeilijker om terug te keren en eigenlijk weet ik niet of ik daar echt voor kies. En het is in Nederland, in ieder geval in Amsterdam, moeilijk om leefbare woonruimte te vinden. In België is dat beslist goedkoper en makkelijker. Als ik ooit naar Nederland terug verhuis, dan is het voorgoed, maar ik wilde daar niet blijven wonen met de vraag: ‘Had ik niet op een bepaald moment terug moeten keren naar België?’ Dat ik het gevoel zou krijgen dat ik dat moment gemist zou hebben, of zo.”

Zou je een Belgische variatie kunnen maken op ‘tandpasta nutella land’?

“Ik vind het heel moeilijk om daar antwoord op te geven. En in feite slaat het op elk Europees land.”

Er moet een mooie variatie zijn.

“Ik kan je niet helpen.”

Nou, er zijn toch vast bepaalde Belgische zoetwaren? Da’s leuk voor achteraf!

“Nee, nee, nee. Dan ga ik daar de hele nacht over piekeren. Doe mij dat niet aan.”

—-

vliegtijdomslagEls Moors, ‘Vliegtijd’, Uitgeverij Nieuw Amsterdam, ISBN: 9 789046 808924, 224 p., prijs: 16,50 euro.

Beluister ook het (bewerkte) geluidsfragment van het interview voor een mooi beeld van het gesprek. (7 minuten). Klik op fragment om te downloaden.